Amazis, aan Arfilon.Toon: Twede Carileen.III.
WAt verwind de Reede niet Alsmen blijk van waarheid an ‘er ziet? Maar hoe raakt// vaak ‘t verstand, heel ontschaakt. Door de schijn// die de reede wikkeld vol Fenijn? Waard dat de Deugd// (die de Ieugd// als, verheugd) Waar volmaakt// alsme ziet hoe mooize blaakt, ‘K greep maar aan// tzou dan gaan// en wel staan; Maar wat ist// grijptmen nu, tis zo vaak gemist. Want geveinsdheid voerd de va’en Nu zo breed, dat ik niet ken verstaan, Hoemen zal// onbewust, na ‘t geval, Door ‘t vermo’en, een onfeilbre goe verkiezing doen, Maar Harder ziet// dit geschied// waarlijk niet
Hierom, dat// ik uw’ in dien handel vat; Maar ik leg// slegs de weg// wen ik zeg Zulke re’en// Tot’et gun dat ik vaster meen. Want indien dat uw’ gemoed Is opregt, gelijkge zegt, en goed: Zo en grijpt// zo en vat, nocht en nijpt Zo veel quaads// in u herte, nooit, oft nu, geen plaats; Maar Hylas nam// toen hy quam// als een Lam, Karilee// heur gemoed en hartje mee, En hy liep// (hoeze riep// bang en diep) Van ‘er heen// hoe bedroefd was toen Karileen? Zulk een valsheid broed de schijn; Inde geen, die Heylig willen zijn; Dies men mag// letten wel, op ‘et slag En de daat// die in’t minnen, daaglijkx ommegaat: Want die niet let// op ‘et net// hem gezet, Raakt wel vast// eer hy voeld de pijn, of last; Maer die drukt// als ‘t mislukt// datmen plukt ‘T naar verdriet// Heil en luk die in tijds toeziet. Houd wagte.
Cookies on Poetry Cove