Toon: Frere Frappardt.VII.
IK gae we’er zmeeke als te vooren;
Tgun ik gezeid hebb’ isme leet:
Nu, tquam door ongeduld en tooren,
Waar inmen zig wel licht vergeet.
Al watze doet zijn vrijsters treeken,
Dies wil ik, van zulk klugtig doen,
Niet meer zo wispeltuirig spreeken;
Maar mijn gedacht met zoetheid voen.