Print van een Deugdelijke Vrouw.III.
Z’Is een puikkroon, aller kroonen:
Wijl ‘er niet ter weereld leefd,
Dat in loff zo hooge sweefd
Om de mens, Gods werk, te toonen.
Z’is een tuilband, van robijnen:
Z’is een Diamantevloer,
Z’is een paarlemoere znoer,
In ‘er schoon en Deugdzaam schijnnen.
Z’is een Feniks, schaars in menigtt’:
Onwaardeerbaar in de schoont,
Wijl de schoont met Godsvrucht toond
In ‘er Ziel te zijn verenigt.
Z’is een grondpaal, stark gehouwen:
Want men mag op ellik woord,
Off’t quam van ‘t Orakel voord,
Datze zeid, volop betrouwen.
Z’is een Schaap, in goed te geeven;
Wantze geefd an haren Man
Al wat goed ze geeven kan
Zo lang als ‘er handen leeven.
Z’is, een Spinnekop, int breien
Van ‘er aige handen werk,
Tgunze vast maakt, stijf, en sterk
En bereid tot linne Spreien.
Z’is een Schip, vol goede waren:
Wijlze, tgunze hebben moet,
Haast krijgd, tzy voor geld, of goed,
En, ‘t verkreege kenze sparen.
Z’is een Haan, in’t vroeg op rijzen:
Want eêr dat de dag begind
Zitze neerstelijk en spind,
Om ‘t gezin de kost te wijzen.
Z’is een Mier, in’t nijvrig zorgen:
Wijlze van ‘er vingerloon,
Koopt veel dingen groot, en schoon
Zonder lorszen, morszen, borgen,
Z’is wat iemand weet te wenschen,
Z’is, naast God, ons eenig heil,
Z’is, op dat ik ‘t nauwer peil,
‘T eedelste, en ‘tpuik der menschen.
Roem, rijst, uit daden.