Skip to content
1645

Arions vingertuig

Thomas Fonteyn

Toon: Dafne.Aan, M. V. N. N. MErkuir, een God, wiens dartele Tong, Als ‘t hipplende vinkje, is veerdig en vlug: Gelijk ‘et Vee, nog zijnde zeer jong, Dat zwemend ken drebble door haeg, over brug; Aleveleens drillen de schampere woorden, Lichtvaardig, en wakker uit ‘s leugenaards mond; En zooge ‘t niet merrikt zo zullenze moorden, En kluistren, uw’ Eere door lasterings vond. Neem acht op zulk geznap, Al is ‘et nog zo rap, Komt yling en vaardig en znoeid zo een Bek, Om datze niet meer uw’ zouw speule dien Trek.

2Roept tot de Goon met nijvre gebe’en, Neemt zugten, tot laidsman, in ‘t klimmende gaan; En komt ten Troon, voor Iupiter treen, En spreekt zijnne Godtheid, al bevende aan: Laet, Prinsse der Goden, ‘k mijn haateren kennen, Ik, die door haar tongen zo worde verdrukt: Soo raak ik te weeten wat luiden zy bennen, Al zoud’ et my spijten, wen’t qualijk gelukt, Nogtans, ik wenste wel Te weeten, wie dit spel Heeft vuirig ontsteeke, in zmookrijkken brand Om dat’et zouw stoven mijn teer ingewand. 3Nu, wen u klagt gehoord is, zo zall In ‘t by zijn der Goden, uw’ worden genoemd In ‘t voll’, de geen die leelijk, als gall, Al uwe flonkdeugden zo helsch heeft verdoemd. Na ‘t weeten; zo keuntge de znapperi wreeken, Zoo ‘t wreeken, ô Schoone, uw’ zieltje behaagd: Zo niet, zo meugtg’er wel bitzig toespreeken, En toonen nog efter, wat reede gy draagd,

Gy keunt’ er vuile mond Ontzluiten knap terstond, En oopne, maar qualijk toegrendle de keel: Soo raad ik dierhalve verduldigheids e’el. Niet beter. Breekt huis, en schuiren op, hoe wel’t is boos en quaad Maar steelt een goede naem, het is een vloekbrer daad.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Arions vingertuig · Thomas Fonteyn · Poetry Cove