An de znode Hellevegen.Toon: Volez Petit Archer droict á Madame, &c.V.
O Feeksen! die u wufte zinnerampen,
Volop komt aan uw goede Gaden klampen:
Foei uw eer gloeid als eenen vlam van lampen.
Nog torst u Minnebrand om Min te plegen
Met die, die nooit u wreevel kan beweegen,
Dat gy, tot hem, u toond, te zijn, geneegen.
Men zouw, zo het getall noch meerder hoefde,
Van Nikkers, u, wen gy zo breinloos schroefde,
Gebruikken, om te plagen de bedroefde.
V gailheid, zouw ‘er lust niet konnen zaden,
Al wierze met de zwufte zwim beladen
Van Zatyrs kriel, en dartle Minnebaden.
Messalina beroemder dat z’onmagtig
Gemaakt had twintig mannen, sterk en krachtig,
Op enen tijd, en nog niet zat was zmagtig.
Hier nu ‘t bezluit; de Vrou, ‘et znoodst van allen,
Heeft ons deur heur bezukt en mallend mallen,
Ellendig, zie ‘er doente, laten vallen
Niet zlimmer dan de grond van ‘t quade.