Toon: Gelijk een Roosje teêr.
Gezigt.
EEn Arends flonkkeroog,
Boord door ‘et hooge zwerk,
Zo uitermaten hoog;
Maar tis een ander werk:
Wen Karileen ziet in mijn hart,
En schetterstraad van binnen,
Fa la la la la la la la la la.
In ‘t diep pit van mijn zinnen.
Reuk.
De waezem, die heur lipp
Zo zuiver schoon ontvloeid,
Ruikt als een Rooze klip
Met Hemeldauw besproeid.
Geen grager zuikker heeft een By,
Vol geuriger vermoogen,
Fa la la la la la la la la la.
Als hare Ademtogen.