Skip to content
1645

Arions vingertuig

Thomas Fonteyn

Eerste Geval.Zeezlagt. MAar toen nog na een lange streek, Tgeluk eens teffens ommeweek. Wanneerwe lagen stil gerust Van geenderhande quaad bewust, Zo trof ’t geweldig; want ‘er quam Een Schipper die een Vloot vernam Van twaalif Roovers, fel en quaad:

Een volk dat zlim is inder daad. Hier wast met ons! staby wat leeft En handen om te vegten heeft; Wy konnen haar toch niet ontgaen Geen beter raad dan zmijten, zlaan, Misschien hoe dat’et noodlot loopt, En wie de Goon ‘t geluk ontstroopt. Een yder, moedig als een Held, Heeft zig tot deezen strijd gesteld. De vloote naderden: toen zei Een, die hem dacht aan haar livrei, En wimpels, wel te konnen zien, Hoe datze waren vreemde lien, Maar vrienden; daarom lachten hy Om datwe eerst zo inde ly

Ons hadden ingebeeld te zijn, Ja overstolpt door zweet en pijn, De Schipper zei: verlaat u niet Op ‘t kleur van vaandels datge ziet, Tbedrog is in de Menschen groot, En ‘t licht gelooff, brengt licht in nood. Dies Mannen, riep hy, pas vry op, Zo niet, verwacht een felle klop: Dat moedigde weêr yder een, Om heurlui voor de boeg te treen, En met wy riepen om ‘et woord Zoo wier ‘er zulk een bui gehoord Van grof geschut, dat Thetis was Verwonderd over ‘t fel gebas. En zy weêr, losten zo veel vier

Dat Aard en Heemel dreunde schier. Wy dachten, liever dood gestreên Dan ongequetst te varen heen Gedwongen van dat boos gedrochtt’, En voords als zlaaff te zijn verkogt. Twas even ofmen zag een strijd Van twaallif Tijgers, vol van spijt, Met acht, noch jonge Leeuwen slaan En vegten, elk om prijs t’ onfaên. Wy losten hele lagen schuts Dat dee ons uittermaten nuts; Zo dat ‘er vaak met eenen krak Mast, overloop, en kabel brak. Toen dit wat ophiel: quam de nacht, En heeft ons onweêr angebracht,

Den weste wind bracht bui’en mee En dreef onz’ vianden van stee, Van onze boorden, zo dat zy Haar vindend los niet weinich bly En waren, gingen, yling heen En lieten ons op Zee alleen. En toen verhief de wind noch meer En woei zo uittermate zeer, Dat wy, in zo een groote nood, Staag wensten om een safte dood. Des morgens zachmen niemand niet, Nocht Vrund, nocht Viand, slechts verdriet Deur ‘tonweer, ‘tgun ons efter liet Geduirig in een groten druk, En onuytspreeklijk ongeluk,

En wy bevonden ons alleen Op Zee, en, dit gevaar was een.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Arions vingertuig · Thomas Fonteyn · Poetry Cove