Toon: Mon valet.
ZAl een trouwen Minner, ‘t minnen
Laten, om een dit of dat?
Om iets, ‘t gun zijn wufte sinnen
Elders hebben opgevat?
Neen hy: want de trou ontzeidt ‘et
Dat hy ‘t doet;
Trouw opregte Min ontleidt ‘et
Al in’t goed.
‘kHeb ook wel mijn ongenougen,
Als ik sie den hoogmoed aan
Dan die, tot my te voegen
Haar in’t minst niet kan verstaan:
Ik, nogtans, meen op ‘et ende
Vanmen druk,
‘t Ongeluk also te wende
Tot geluk.
Ha! Moordresje vanmen leeven,
Hoe zmaakt u eens anders dood?
Hoe keund gy, door trots gedreeven,
My zoo laten in den nood?
Of ik nog op’t end verblijde,
Wat kant zijn;
Wijl ik nu, in strijdend lijden,
Draag veel pijn?
Straffe Maagd, zen u meedoogen
Op die hier verschooven leid;
Laat u zeegbre gloeiend oogen
Weesen tot mijn heil bereid.
Wat is beeter? wat is vaster
Stof van deugd,
Dan te weezen druk ontlaster
Van de Ieugd?
Mijn getrouwheid zal noit dwaarlen
Van haer vast gestelde sloer:
Want mijn Min is, rein, als paarlen,
En alst suivre paarlemoer,
Geen karbonkkelen geflikker,
Straald zoo hel:
Of mijn liefdes rein geklikker
Tart ‘er wel.
Waare liefd is nooit verlegen,
Wen ‘er ‘t grootste hartzeer knijpt:
Wantze zett’er dapper teegen,
Daar de nijt of twedracht nijpt.
Ik wil ‘t lijden leere lijden
Om proffijt:
Ongezien wie my benijden,
Of benijt.
Liefde ziet deur nog venster.