Skip to content
1645

Arions vingertuig

Thomas Fonteyn

Toon: Van Trijntje soete bolle Maid. WAnneer ik eens gegeten had, Kreeg ik een nieuwe graagt Om wat te wandelen door de Stad, En zien hoe elck hem draagd: Veel deuren vant ik ‘er gezloten, Veel zag ik ‘er open staan, Een zag ik, daar voor quam geschooten Een Minnaar al beevende aan, En zei, wijl hy zijn Kroosje zag, Genavond schoon Godin! Ik heb’ jou altijt nagt en dag Gestadig inmen zinn: Zie daar ik en kanje niet missen, Al waar ‘et om ‘t leeven te doen,

Ik moet jou, je kent ‘et wel gissen, Zus, zus, eens geeven een zoen. Met vatten hy ‘er in den arm, En drukten ‘er zo stijf: Ik docht, je selt de Meid ‘er darm Wel kreuken in ‘er lijff, Nou, ‘t konn ‘er zo ‘t scheen wel niet hindre Wijl zy niet een wooritje zei; Maar toe ‘er dat parsje gingk mindre Zo zweeteze allebei. Get, dogt ik, is dat zoene, bloed! Ie zelt verkouwen, zet Maar knap op ‘t hoofd, je winterhoed,, En paktje bei te Bed, Zo meugje malkander dekken, Heb jy nou malkander ontblood: Wat schaat ‘er ‘et hangen en rekken, Waar ‘t wurrigen niet de dood? Maar ziet! ik was bela’en vergeefs: Want naar ik konde zien,

Zo wast na veel gezegs, gestreeft, Ga, laatme voords betien. Ze stooten hem zoetjes henen, Hy stoof ‘er toen datelijk van: Dat parssen, zei ik toen, zoo ‘k meene, En staat ‘er, zo qualijk niet an. Niet an is aff.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Arions vingertuig · Thomas Fonteyn · Poetry Cove