Op de wyse: Een heb ick uyt-vercooren, al in het herte mijn. Gen.1,27.GHy Mensch van Godt geschapen Verdoolt wijt ende veer, Neemt van dees wegh een keer, 1 Reg.18.22En zijt niet meer Baals knapen, En doet na zijn begheer.
Wilt ghy by Gode leven En zijn Hemelschen Vaer, So moet ghy volghen naer, Eph.5,1.So wy vinden gheschreven, Pet.2,23.Zijn voetstappen, 't is waer, In cruys en lyden swaer.
Eph.5,23.'t Hooft is ons voor ghetreden Met smart en pijne groot, Lydende groot aenstoot,
Om ons, zijn swacke leden, Te verlossen uyt noot,Heb.2.12. Heeft hy ghesmaeckt die doot.
Ons cruys heeft hy gedragen,1.Pet.2,24. En oock betaelt ons schultPsal.69.5. Goetwilligh met ghedult, Oock gheleden veel slaghen, En die Schriftuer vervult, Ons te verwerven hult.
Souden wy dan niet lovenCol.1,12. Die ons dus heeft bevrijdt Wt duyvels strick en strydt, En die noch zit hier boven, En bidt voor ons altydtRom.8,27. Zijnen Vader met vlyt.Heb.9,15.
O Prince Godt der Goden Wy vallen u te voet,Deut.6,13. En bidden met ootmoet: Mat.4,10. Dat ghy doch u gheboden Met rechte ware boet In ons hert groeyen doet. 'T mist wel meer.
Cookies on Poetry Cove