Op de wijse: O Godt aenhoort desen droeven Zang. O Heer aenziet mijn droefheyt groot, Mijn angst en noot,Psal.25,17. Mijn druck, en mijn ellende, Ick bidd' mijn doch niet heel verstoot,Mat.10,22Psal49,14 Als ben ick snoot, Tot uwaerts ick mijn wende,Sach.1,32 En val te voet, Heer in ootmoet, Met eenen gheest, gheheel bevreest, En 't ghebedt tot u zende.
Psal.38,5.Want mijn misdaet die druckt mijn seer Die ick wel eer Teghen u heb bedreven, Daerom bidd' ick mijn Godt en Heer: Dat hy hem keer Tot mijn, om te vergheven Psal.19,31, 32,7.Al mijn misdaet, die vroegh of laet Oyt zijn gheschiet, met wil, of niet Den tydt van al mijn leven.
Want ick en weet gheen beter raet Mat.11,28Om vinden baet, Dan by u Heer der Heeren, Dus mijn doch niet gheheel afslaet, Al ben ick quaet, Vol wonden ende zeeren, Psal.38,6Want aen mijn hart, brenghen ze smart,
Soo dat ick krijt, om hulp altijt, Volbrenght doch mijn begheeren.
Mijn hoop is, dat ick ben verhoort,Psal.32,51 En dat versmoortMich.7,19 By u zijn mijn misdaden, O Heer wilt my nu helpen voort Om door u woortPsal.25,7. Mijn voorts te laten raden, Dat ick gherust, vol-brengh met lust V wil en wet, met goedt op-set, Soo magh my gheen druck schaden.Spr.15,2.
't Verstant is Heer seer swack en cleyn Om u wet reyn Recht wel te onderscheyden Van veelen, die spreken ghemeynPsal.73,2, Dat elck alleyn Haer doen na u wil leyden,Psal.25,2. Dus bidd' ick dy, wilt geven my
Goedt onderscheyt, dat mijn gheleyt Ioh.10,16.By die Schaepen uw's Weyden.
Geen dinck mijn meer verheughen doet Psal19,11. 119,103.In mijn ghemoet, Dan als ick magh verhalen Van uwe wet en wille goet, By die met spoet My die konnen vertalen, Waer door ick slecht, werd' onderrecht, Dat ick van 't padt, nae Syons stadt Niet en kome te dwalen.
Want Heer, 't soud' my zijn groot gheneught, Psal.27,4.Dat ick met vreught Moght wandelen dijn weghen, By dien die met vol-maeckte deught, Tran.3,26Al van haer Ieught
Tot dijn Wet zijn gheneghen, En die gaen voor, int rechte spoor Daer door zy mijn, gheleyden fijn Daer men u vreest te deghen.
Op dat ick daer tot aller stont, Met tong, en mont,Psal.27,4. 84,2. 122,2. Godts Naem Heerlijck mocht prijsen, Met al die treen in zijn verbondt Wt harten grondt, Om hem eer te bewijsen, En dancken hem, met luyder stem,Psal.26,7. Die heel uyt-wist, al wat ons mist, En ons troost moet uyt rijsen.
Hy is die mijn tot het Licht bracht, Doen ick onsacht In duyster lagh verschoven,
Psal.103,2 Spr.40,5 43,44.Ick wensch mijn tonghe sulcken kracht, Dat ick met macht Zijn Naem moghte vol-loven, O woud' ick dan, als een vroom man Mijn leven lang, loven met sang Den Heere van hier boven.
2 Cor.5,1.Op dat ick als Ziel en Lijf scheyt Mocht zijn verleydt Mat.22,11Met 't Bruylofts-kleedt der vromen, En tot die Feeste zijn bereyt, Vol Heerlijckheyt En vreughde uyt-ghenomen, 1 Pet.1,9Die niet vergaet, maer eeuwigh staet Apoc.21,23,In Godts ghezicht, die 't al verlicht, Daer by ick hoop te komen.
O Prins biedt mijn hier toe die hant, En doet by-stant V schepsel die ellendighPsa.78,39, Hem self bevindt aen elcken kant Gheheel ontmant, Ten zy dat ghy inwendigh Zijn hart beroert, en wel uytvoert 't Begonnen werck, om in u kerck Voorts te blyven bestendigh.Math.10,20.
't Mist wel meer.
Cookies on Poetry Cove