I.
Ick wensch u alle die Godt vrest.Fol.83.
In u benautheyt groot.Fol.65.
Iver en vlyt moet by u altijdt zijn.Fol.271.
Ist dat ghy twee u t'saemen hebt begheven.Fol.336.
Ick en kan laten niet.Fol.296.
Ick heb ghedocht.Fol.318.
In s' Heeren naem moeten dees twee vergaeren.Fol.378.
In dees Werelt vol ongheluck.Fol.410.