Skip to content
1626

Geestelyck lietboeck genaemt de Basuyn

Simon Jansz Fortuyn

Op die wijse: Ghebenedyt myn Ziel altydt den Heer. Psal.4.6, 73,3. ALle mijn hoop, mijn troost, mijn toe-verlaet 2 Tim.6,11Wilt ick gaen setten op mijn Godt en Heer, Die al wat leeft in angst en noodt by-staet, Recht al op wat leyt ter neer, Dies ick my tot hem keer, En troost van hem begheer.

Niemandt o Godt sonder u yet vermagh, Iac.1,17.Want ghy alleen den ghever zijt van al.

Die ons ellent van boven neer aen sagh Alhier in dit aerdtsche dal, Wy die door Adams val Doolden in groot ghetal.4. Esdr.7,48Rom.5,18Ioh.15,13.Rom.5,6:

Noyt Mensch en sagh meerder ghenaed' gheschien, Als van u Heer, ons Menschen is gheschiet, Want ghy door Christum ons u troost comt bien, Leght op hem al ons verdriet, Ons so verlossen liet, Wt liefden al om niet.Ioh.3,26.

Eeuwigh voorwaer lagen wy in den doot,Hebr.2,14. Soo desen troost ons niet door u om-scheen, Met zond' besmet, van deughden naeckt en bloot,Psal.51,7 Maer o Heer ghy maect ons reen Door u sterven gheleen,Col.2,14, So wy u recht na treen.1 Pet.1,22.

Ist dan niet recht, dat wy met zin, en moet 1 Cor.5,15.Desen wel-daeder met lust loven altijt, Luc.18,1,Dagh ende nacht vlytigh vallen te voet, Hem biddende met vlijt: Dat hy ons schult schelt quijt, Col.1,14.En van zonden bevrijt.

Aen-ziet o Heer dat schepsel uwer handt, Psal.103,14Ghy weet wat stof en maecksel dat wy zijn, Ellendigh, snoodt, besmet met zond'en schandt, 1 Pet.2,24. Vol zeeren, en vol pijn, Sterckt ons met u woordt fijn, Op dat ons vreught om-schijn.

Cleyn-moedigh Heer mosten wy doolen gaen, Esa.53,9.Door 's Duyvels list, die in quaed doen heeft lust

Had gy o Heer ons niet vast bygestaen En zijn pijlen uyt-geblust,Gen.3,15. Zijn raserny ghesust,Hebt.2,14 Ons te brenghen tot rust.

Op wien o Heer soud' ick betrouwen vast,Psal.18,31. Dan u mijn Godt die eeuwelijcken leeft, Die mijn uyt ghenaed' van zonden heeft ontlast,Eph.2,4. En voor de doodt dat leven gheeft,Eph.4,10. Iae die gheschapen heeftCol.2,16. Al dat op Aerden sweeft.

Prijs lof, en eer, sal al mijn leven lanckPsal.103,12 Dees Heer der Heeren gheschien uyt mynen mondt,1 Tim.6,15 Ick wil hem loven met mijn's stems gheklanck,Hebr.13,15. En dat uyt des harten grondt, Wachtende t'aller stondt Op zijn eeuwigh verbondt.Gen.17,3.

Psal.84,3,Stadigh o Heer mijn Ziel nae u verlangt, 2 Cor.5,2.Ick hoop met lust na u Hemelsche schat, Luc.23,46.Ick bidd' o Godt mijn gheest in rust ontfangt Als ick gae al 's Werelts pat, Leydt hem uyt 't Aerdtsche vat In u Hemelsche stadt. 't Mist wel meer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.