Skip to content
1646

Spreeckende schildery

Sibylle Griethuysen

Soo loopen wy:

Hier hebben wy de Cracht, den Horen, en het wecken, Den Voordeel, Nut en Murg, van dit nootwendich Trecken: Psal. 1. 19. 22. Den ijver wordt geparst, vrywillich en bereyt, Om Iesum nae te gaen, in sijn Gehoorsaemheyt: Doch, hier is weer wat vreemts, voor dick-gevelde Ooren; Treckt my, so sprack de Bruydt, een cleyne wijl te vooren; En nu, Soo loopen wy; schier op dien eygen voet; Noch singt sy niet in't wildt, als menich Clappaert doet:

Och neen; de Bruyt, Godts Kerck, de Kercke hier beneden; Spreeckt, my; Voor sich alleen, en wy, zijn sijne Leden; Als Godt het Lichaem treckt, so volgt doch, voor gewis, Dat al de Leden gaen, die maer geroepen is, Genodet tot den Spijs, en ware Dis-Genoten; Dan worden wy geport malckander aen te stoten, Te drijven tot den Loop, niet buyten om te slaen, Esaiz. 3. 2. Cor. 9. v. 2. Maer regel-recht om hooch, nae't groot Palleys te gaen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Spreeckende schildery · Sibylle Griethuysen · Poetry Cove