Soo loopen wy:
Hier hebben wy de Cracht, den Horen, en het wecken,
Den Voordeel, Nut en Murg, van dit nootwendich Trecken:
Psal. 1. 19. 22. Den ijver wordt geparst, vrywillich en bereyt,
Om Iesum nae te gaen, in sijn Gehoorsaemheyt:
Doch, hier is weer wat vreemts, voor dick-gevelde Ooren;
Treckt my, so sprack de Bruydt, een cleyne wijl te vooren;
En nu, Soo loopen wy; schier op dien eygen voet;
Noch singt sy niet in't wildt, als menich Clappaert doet:
Och neen; de Bruyt, Godts Kerck, de Kercke hier beneden;
Spreeckt, my; Voor sich alleen, en wy, zijn sijne Leden;
Als Godt het Lichaem treckt, so volgt doch, voor gewis,
Dat al de Leden gaen, die maer geroepen is,
Genodet tot den Spijs, en ware Dis-Genoten;
Dan worden wy geport malckander aen te stoten,
Te drijven tot den Loop, niet buyten om te slaen, Esaiz. 3. 2. Cor. 9. v. 2.
Maer regel-recht om hooch, nae't groot Palleys te gaen.