Meer dan Wijn.
Sy willen Godes Eer vry verder laten hooren, Als 't Volck dat in den Wijn, in Most, en in het Cooren, Psal. 3. vers. 8. De Werelt pronkt en streelt, en roemt dien ijd'len Staet, Want; siet, de Vrede Godts het al te boven gaet: 't Is yeder een bekent, hoe Mannen, en hoe Vrouwen, Die Bachus Erven zijn, en Bachus Rancken trouwen, Hoe, segg' ick, dat het Volck, gestadich in den Wijn, Oock daer de Rouwe past, vol Vreugd' en Weelde zijn, En queelen in het wild', en springen om het Lijntie, Van Trijntje, volgt my nae; van droncken, droncken Swijntje, Off ander lichten Voys, met handen boven 't Hooft, Daer d' eygen Eere Godts, an flarden wordt geclooft; Men siet een droncken Wijff verscheyden dingen plegen, Prover. 7. 5. By wijlen aen de Straet, by wijlen op de Wegen, By wijlen an de Deur, ten schoonsten voor gedaen, Off, waer een Iongeling mach passen oyt te gaen; Men hoort haer gladde Tong veel snode dingen seggen, Dat hier niet al en past, ten breedtsten, uyt te leggen, Ten eynde haer versoeck ten vollen zy geluckt, En dat den Iongeling ten on-wech is geruckt; Daer leyt de Weeld' gevelt; men siet de Vreugd' verslijten, Men siet oock Man en Wijff, met Tang en Vuysten smijten, Dus vindtmen al 't Cieraet aen briesel over 'tHuys, En, naer een vrolijck Hooft, een in-gebrande Cruys;
Wie des Duyvels Instrumenten luyster gheeft, bevindt sich met dienverknocht te zijn Soo dat aen sulck Gespuys sich niemant wil verhangen, Als daer een Gijbbert sit, met Padden, Ravens, Slangen, Met Vleder-Muysen bloedt, en ander vreemdt beslach, Off, wat een oude Kol oyt dienstich wesen mach: Die in een Mossel-schulp, om Oosten weet te varen, En halen Staven Goudts, en ander rijcke Waren, Die can, een machtich Berck, een wel-gekielde Schip, Doen springen in de lucht, off voeren op een Klip; Die, door een klinck-snoers-gat, behendich weet te glijden; Die, op een Besem-stock, can uyt de Schoorsteen rijden; Diem' in een Ros, een Swijn, een Wolff die't al verslint, Een Beest dat Hoornen draegt, en meer, verandert vint; Waer van den Ridder Cats is breder uyt-gebroocken, Al waer hy handel drijft, van Liefde door het Spoocken, So dat, waer droncken Vreugd' is op den soetsten geur, Daer stoot de Droefheyt, sterck, met stijlen op de deur; Maer, hier wil 'theylich Volck een ander Roem verbreyden, Die Soroastres niet van Christi Liefd' sal scheyden; Een Roem, die niet verdwijnt, een Vreugde, so gegront, Waer op den minsten rou oock noyt te wachten stont; Een Vreugd', die eenen dach is soeter aen te schouwen, Als duysent, duysent Iaer, met Dronckerts Feest te houwen; Een Vreugde, daer't gedenck vry meerder Weelde siet, Als daer den heetsten brandt den soetsten Wijn geniet: Hoe zijn wy dan so blindt, so droncken noch op heden, Dat wy niet met dees Bruydt, en Christi ware Leden, Bedenckinge: Om-helsen een Verbondt? hoe zijn wy soo verstockt? Dat altijd ons Gemoet, met Godts Geboden wrockt? Wat decksel leydter doch, om onse Geest te smooren, Dat wy niet kennen Godt, noch sijne Dienaers hooren? Wat Nicker heeft ons wech? wat Spoock? wat Antichrist? Dat, niet alleen het Volck, met Godts Gesanten twist?
Matthei cap. 19. vers. 6. Maer, was't met veel te doen, en mooglijck uyt te voeren, Sy souden sien, ons Godt, een voordeel aff te loeren; Off Christus 'tHouw'lijck vast, en onverbreecklijck heet: Een Boer, die Koeyen melckt, en anders niet en weet, Die soud', na sijn Vernuft, en sonder veel te seggen, Heel op een ander wijs' dat weten uyt te leggen, En bannen, even straff, oock Man en Echte-Vrou, Spijt Godt oock, wat hy doen, off wat hy laten wou: Ja, wou de goede Godt, hier, by de Mensch verkeeren, Een wonder soude't zijn, wat hem noch stond' te leeren; Eer lang', sat hy off sy, off yemandt van't gewoel, Hiob. 4. vers 17. Op't hoogste van den Throon, in't sachtste van de Stoel: Helaes! verdwaelde Mens! keert, keert! ey wilt doch wenden! Apoc 22. Iude. 9. en. 6. 2. Pet. c. 2. v. 9. 'tIs geen geringe saeck, Iehova selfs te schenden; So wilden d'Engels doen; maer, hoe ist haer vergaen? O op geblasen hoop! ick bid's gedenckt hier aen. O Heer! verleent ons doch een Herte, soo verslagen, En truyrich over 't quaet, gelijck sal zijn ten Dagen, Als Boete niet en geldt; als kermen is om niet; Als 'tVonnis is geveldt, en elck sijn Feylen siet: Op dat de Ydelheyt word' uyt ons Hert gedreven, En dat wy ons tot u, O al-vol brenger! geven; Psal. 16. vers. 11. Matthei 26. 29. Daer Vreugd' de volheyt is; en't wesen lieffelijck; Daer Hemelsch Wijn, ô Godt! is in u Coningrijck.
Cookies on Poetry Cove