Op de wijse van den Lxxxix. Psalm. 1. 10.SIngt nu singt nu den Heer een nieu en vrolijk lied, So ver des hemels oog des werelds kloot besiet, So ver de son de aerd verlicht met haere staelen, So is sijn roem verbreyd aen ‘swerelds laetste palen.
Verheft uw stem-basuyn die op de soute baren Durft in de wilde see met holle houten varen.
2. Gy landen die de see en woeste stroom omringt, Die in de wat’ren drijft, en dobbert, juycht, en springt, En gy die daer in woont. 11. Roept luyde gy woestijnen, Roept luyde, wilt voor God met vrolijk lof verschijnen, Gy steen en platte land daer Kedar met sijn sonen In vrede sit, en woond, wilt mede vreugd betonen.
3. Die in de rotzen leeft heft ook uw stemmen op, En werpt uw Psalm-geluyd van uwer bergen top, 12. Geeft Gode prijs, en eer, en laet met volle monden De landen over-al des Heren roem verkonden: 13. Want God sal als een reus en held van sterke leden En krijgsman kloek her-voor in kragt en yver treden.
4. Hy sal met groot gedruys, en dapper krijgs-gerucht Sijn wedersakers slaen, en drijven in de vlugt. 14. Ik wacht wel voor een tijd, en swijg, en speel den doven, Maer gy en sult u dat niet al te wel beloven, Nu wil ik, als een vrou in kinders arbeyd, baren, En hun met vuer en vlam vijandig tegen-varen.
5. 15. ‘Ksal maken datter niets op hunne bergen is, En dat hun heuv’len sijn een woeste wildernis, Ik sal hun kruyd en gras versengen, en verbranden, Hoe waer is dit in dese Belegeringe van ‘sHertogenbosch geweest!En maken hunne seen tot platen, ende sanden, En yder water-stroom en poel voor hunne ogen In mijnes torens brand doen stinken, en verdrogen.
6. So wil God de afgodische verleyde Paepsche Boschenaers ende alle andere vedwaelde hier, ende elders, eenmael in genade bekeren!16. Maer sal de blinden t’saem op eenen rechten baen En onbekenden weg doen vast en seker gaen, ‘Kwil hunne duysternis met sonnen-licht bevechten, En ongebaenden pad heel glad en effen slechten: O ja! dit wil ik doen, ik wil se niet begeven, Maer houden by de hand, en doense eeuwig leven.
7. Fiat justitia, & pereat Roma. Apo. 18.17. Daer-tegens die verblind op valsche Goden staen, En spreken hout, en steen, de stomme beelden aen, En neygen sich voor hun, en seggen tot de dooden, En blocken sonder siel: Gy sijt ons heyl, en Goden: Die sullen vlugtig sijn, verzagen, en verderven, En in die laster-daed van hunne grouw’len sterven.
Cookies on Poetry Cove