Tegens de Koning van Spanjen, ende Roomschen Keyser.
MAraen! wat tracht gy ‘tvolk van Neerland te verdrucken?
Of sijt gy niet te vreen, eer sy u neder-rucken?
So ligt gy al te laeg. Maer arme Dwingeland!
Wat steunt gy te vergeefs op ‘sKeysers hulp, en hand?
Ik sie wel wat het is. De Keyser moet ook sijgen,
En sijn verdiende loon door onse wapens krijgen:
So stort des Heren wraek u beyde te gelijk,
Om ‘tuytgestorte bloed in’t gansche Christenrijk.