Op de wijse vanden Lxxiv Psalm.
Aleph.
Hoe is het goud so donker, en verblickt?
Hoe heeft het goud sijn luyster verloren?
De steenen ook van't huys van God verkoren
Die liggen (laes!) verstroijd heel ongeschickt.
Beth.
2. Het edel saed, en Zions waerd geslacht,
Het welkmen plagt het goud gelijk te heten,
Is nu als leem verschoven, en vergeten,
En als een pot en aerden vat geacht.
Gimel.
3. De draeken selfs die sogen hun gebroed:
De dochter (laes!) mijns volks en kan niet sogen,
En heeft haer borst haer kinderkens ontogen,
Gelijk een struys aen sijne jongen doet.
Daleth.
4. De tonge is den suyg'ling aen den mond
Van grooten dorst en dorheyd vast geseten:
Het kleyne kind dat heeft om brood gekreten,
Maer dat en word van niemand hem gejond.
He.
5. En die wel-eer sijn lecker opgevoed,
Die liggen nu versmacht op alle straten,
En die voor heen in rijke weelde saten,
Die liggen nu vertreden met den voet.
Vau.
6. De dochter (laes!) mijns volks loopt harder aen,
Als Sodom selfs van God is doorgestreken,
Die eens met vuer van God werd aengesteken,
En daermee was dat altemael gedaen.