4.
12. De Vorsten sijn van hunnen hand gehangen
De oudsten sijn met hoon en smaed bevangen.
13. De jonge luy die dragen molen-steenen,
De kinders hout, en vallen daer ook henen.
14. 'Tgerichte inde poort
Van d'oudsten dat is voord,
En't spel der jongelingen.
15. De vreugd die is gedaen,
De klagen die beslaen
De plaetze van het singen.
5.
16. De krone is van't hoofd ons afgevallen.
Wee onse sond! o wee, o wee ons allen!
17. Hierom so is mijn hert in 't lijf besweken,
Hierom so is 't gesicht van mij geweken.
Mijn hert, mijn oog dat schreijd,
18. Dat Zion also leyt,
So woest, so wild, so open,
En dat de voszen daer
So vrij en veyl in haer
En menigvuldig lopen.
6.
19. Gy Heer, gy blijft, dijn troon sal eeuwig duren.
20. Wat laet gy't ons in eeuwigheyd besuren?
Wat soud gy ons so alle tijd vergeten?
Wat soud gy staeg van ons niet willen weten?
21. Bekeert ons toch tot dij,
O Heer! so sullen wy,
Ons ook tot dij bekeren.
22. Vernieuwt ons als voor-heen:
Nu hebt gy ons vertreen.
Hoe kan dijn toorn vermeren?