III.
Mem.
37. Wie is hy nu die dit so heeft gesien,
Die seggen durfd, dat God, de God der Goden,
Sulkx niet en heeft te voren so geboden,
Alsoder niet kan sonder hem geschien?
38. Komt goed en quaed niet uyt des Heren mond?
Geschied het niet gelijk hy heeft besloten?
39. Wat klaegd de mensch als of hy door de sond
Van God niet waer rechtvaerdiglijk verstoten?
Nun.
40. Komt laet ons dan ons doen wel onderstaen,
En onsen weg en wandel van ons leven,
En al te saem ons weer tot God begeven,
41. En ons gemoed en handen opwaerts slaen,
42. En seggen: Heer! wy sijn verkeerd van aerd,
Wy sijn van dij en dijne wet geweken:
Dies hebt gy ons ten rechten niet gespaerd,
En so gestreng met roeden doorgestreken.
Samech.
43. Gy hebt ons (Heer!) met gramschap overschud,
En ons vervolgd met alle dijne plagen,
En gantsch vernield, en jammerlijk verslagen,
Dijn goedigheyd en heeft ons niet beschut.
44. Gy hebt dijn hoofd met eenen wolk bedeckt,
Dat ons gebed niet komt tot dij daer boven,
45. Gy maekt dat wy van elk-een sijn begeckt,
En als een dreck van alleman verschoven.