Op de wijse vanden Cxxxviii. Psalm.
7. Ik wil nu op den Here sien,
En tot hem vlien,
'Kwil hem verwachten,
Den God van mijne saligheyd:
Ik heb geschreijd,
Dat sal hy achten.
8. Verheug dij niet mijn vijandin
In dijnen sin,
'Ksal over-ende
Weer opstaen als ik liggen sal
In ongeval,
En in ellende.
2.
God heeft mij in de duysterheyd
Sijn licht bereyd.
9. Ik wil de plagen,
Ik wil des Heren grimmigheyd,
Die op mij leyt,
Geduldig dragen,
(Want ik heb voor hem quaed gedaen,
En sond begaen)
Tot hy mijn saken
Sal rechten, en dijn ongelijk
Met goeden blijk
Bekend sal maken.
3
Hy sal mij brengen voor den dag
Met vreugd-gelach
Door sijn genade.
10. Mijn vijandin die sal't ook sien,
Sy die mij seyd tot spijt en spot:
Waer is dijn God?
Mijn ogen-leden
Die sullen haer gelijk als dreck
Sien op den neck
Met voeten treden.