Skip to content
1629

Klaeglieden van den H. Propheet Ieremias

Samuel Ampzing

V. Coph. 55. Ik riep dan noch uyt mijne kuyl tot dij. 56. So hebt gy dan mijn stemme ga geslagen: Verberg dijn oor toch niet voor al mijn klagen, En mijn gesucht, en hebt so acht op mij. 57. Wanneer ik dan met een verslagen geest In mijnen nood dij hebbe aengebeden, So seyde gy: en sijt toch niet bevreest, Dit seyde gy, tot mijwaerts toegetreden.

Resch. 58. Gy hebt (o Heer!) mijn sake uytgericht, En mijne siel en leven uytgetogen, 59. Gy hebt het quaed gesien voor dijne ogen, Het geen van hun is tegens mij gesticht: Heer! doet mij recht, en oordeelt mijne saek. 60. Gy hebt gesien hun hert van toorne branden, Hun wrock op mij, en hunne bitt're wraek, En al het doen en wrevel hunner handen.

Scin. 61. Gy hebt hun smaed (o Here!) aengehoord, En wat sy quaeds oyt over mij bedachten, 62. Hun lippen-gal, hun nucken, ende trachten, Van dag, tot dag, en altijd voord en voord. 63. O Here! sie, o Here! sie op hen, 'Tsij datze staend of sittend' t'samen-rotten, Hoe dat ik staeg hun lied en fabel ben, En hoese mij so bitterlijk bespotten.

Thau. 64. Betaelt haer dat, o Heer! vergeld het Haer, Naer al het quaed voor dij so veyl bedreven.

65. Laet hun het hert verschricken, ende beven, En stortze mee in jammer, en gevaer, Giet dijnen vloek in hunnen boosen schoot. 66. Vervolgtze (Heer!) met dijnen swaeren toren, En delgtze uyt door eenen wreeden dood. En wiltze t'saem op aerden gantsch verstoren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.