III.
Ayn.
17. Dat God hadde voorgenomen,
Is gekomen,
En dat hy ons had vertoogd:
Hy heeft ons wel hard geslagen,
Die ons plagen
Heeft hy over ons verhoogd.
Tsade.
18. Hun hert lasterd voor den Here.
Schreijt gy seere
Dochter Zion dag en nacht,
Laet de traenen dijner ogen
Nimmer drogen,
Schreijt gestadig al dijn magt.
Coph.
19. Schud dijn hert' snachts t'eerster wake,
Dat het krake,
Schud het voor den Here uyt,
Bid hem dat hy dijne sonen
Wil verschonen,
Die de honger 'therte sluyt.
Resch.
20. Siet Heer, wie gy hebt geschonden,
En verslonden!
Sullen noch de moeders voord
Heure kind'ren moeten eten?
En Propheten
Ende Priesters sijn vermoord?
Scin.
21. Iong en oud ligt op der straten
Dood, verlaten,
Al mijn volk is omgebragt,
Gy hebt in dijn grimmigheden
Hen vertreden,
En door 't scherpe swaed geslacht.
Thau.
22. Gy hebt alle die mij haten,
Vytgelaten,
En als op een Feest genood,
So dat niemand in het leven
Is gebleven,
Al mijn kind'ren sijn gedood.