II.
Lamed.
12. En sijt gy niet bewogen
Die 'tsiet met uwe ogen?
Segt iszer ook een nood,
Als mij is wedervaren,
Dien God nu veele jaeren
In grimmigheyd verstoot?
Mem.
13. T'vuer sond hy in mijn beenen,
Die alle sijn verdwenen,
Hy set mijn voet een strick,
En heeft mij weg-gedreven,
En al den dag doen beven
In eensaemheyd, en schrick.
Nun.
14. Het jock van mijne sonden
Is op mijn hals gebonden
Door sijne hand, en slag,
Mijn kragt is omgestoten,
En in sijn hand besloten,
Daer ik niet uyt en mag.
Samech.
15. God sloeg mijn sterke helden,
En riepze die se velden,
En dempte 'tjonge bloed,
En al die voor ons streden.
God heeft de perz getreden,
En over mij gewoed.
Ayn.
16. Dies ween ik, dat de beken
Van mijne ogen leken:
Mijn troost, mijn hulp, mijn held
Is ver van mij geweken,
Mijn volk is dood gesteken,
Mijn vijand houd het veld.
Phe.
17. Wringt Zion haere handen,
Wat trooster salse vanden?
So God belasting doet
Van Iakob te ontlijven:
Ierus'lem is den wijven
Gelijk in heuren bloed.