Skip to content
1629

Klaeglieden van den H. Propheet Ieremias

Samuel Ampzing

II. Caph. 11. 'Kheb mijn ogen uytgekreten, 'Tlijf versleten, En mijn leven uytgebraekt, Als de arme suygelingen So vergingen, En als 'tvolk werd afgemaekt.

Lamed. 12. Als de arme schaepen liepen, Ende riepen: Moeder, waer is wijn en brood? Als sy inde Stad verdorven, Ende storven In der moed'ren arm, en schoot.

Mem. 13. By wien sal ik dij bekijken, En gelijken, Dochter Zion, in dijn nood? 'Tquaed is over dij gekomen, Gelijk stroomen: Wie kan 'thelen? 'tis te groot.

Nun. 14. Lengen hebben dijn Propheten Dij doen weten, En dijn misdaed niet geraegd, Om dijn ballingschap te weren, 'Tydel leren Heeft dij uyt het land gevaegd.

Samech. 15. Die voor by gaen staen te klappen, En te trappen,

Fluyten, guyten, schudden 'thoofd, Seggen: word die Stad der Steden Eer beleden, En die aller glanz verdoofd?

Phe. 16. Alle dijn vijanden lachen, Ende prachen, Spreken: hey! sy is verstoord: Dit 's de dag dien wy begeren, Ende eren: Hey! wy sien het rechtevoord.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Klaeglieden van den H. Propheet Ieremias · Samuel Ampzing · Poetry Cove