iij. 10. 15. Dijn hoofd [staet] op dij als Karmel, ende de hayr-band dijns hoofds als purper: de Koning is op de gaelderijen gebonden. Dijn hoofd staet vast en hoog verheven, Als Karmel steyl en groot. De hayr-band van dijn hoofd is even Gelijk het purper-rood. De Koning die is vast gebonden, Op dijne galerij. 16. Hoe schoon ende lieflijk sijdij o liefste in wellusten. Hoe lieflijk schoon sijt gy bevonden, O Lief, hoe soet sijt gy!
11. 17. Dese dijne lengde is als een palmboom, ende dijne borsten als druyf-troszen. Dijn lengd is die de palmen krijgen, Dijn borsten druyven-nat. 18. Ik segge, ik sal op den palmboom klimmen, en sijne tacken grijpen: so sullen mi dijne borsten gelijk druyftacken aen den wijnstock sijn, ende de reuk dijner neuse als appelen. Ik seg, 'k sal op de palmen stijgen, Dat ik hun tackxkens vat: So sullen dijne borsten wesen, Gelijk de troszen sijn, Bequaem om vanden stock te lesen, Nu rijp, en vol van wijn.
12. De reuk ook, die sich uyt de gaten Van dijne neus verspreyd, Sal sijn als appels van granaeten, En 't fruyt van lieflijkheyd. 19. Ende dijn mond is als goede wijn die liefelijk ende glad in gaet, die de lippen van de slapers sprekende maekt. Dijn mond sal goede wijnen leken, Die heel glad binnen gaen, En doen der slapers lippen spreken, En stomme tonge slaen.
Cookies on Poetry Cove