Skip to content
1629

Het Hoog-lied van den heyligen ende wijsen koning ende propheet Salomon

Samuel Ampzing

ij. 10. 14. Mijne duyve, die inde holen der steenrotze woont, ende onder eenen heymelijken trap, vertoont mij dijn gestalte: laet mij dijne stemme horen, want dijne stemme is soet, ende dijn gestalte is liefelijk. Mijn duyf, die dij in rotzen hebt versteken, Toont dijn gelaet, en wilt wat met mij spreken, Dat ik dij hoor: dijn stemme is mij soet, En dijn gelaet is liefelijk, en goed.

11. 15. Vanget ons de voszen, de kleyne voszen die de wijn-bergen bederven: want onse wijn-bergen hebben jonge druyfkens. Ey! doet ons toch de loose voszen sterven, En vangtze op die onsen hof bederven: De wijngaerden die staen in hunne groeij, De wijngaerden die staen in hunne bloeij.

12. 16. Mijn Liefste is mijn, ende ik ben sijne, die [sijne kudde] onder de lelien weyd. Mijn Vriend is mijn, sijn liefde sal beklijven, En ik ben sijn, en sal de sijne blijven, Die sijne kudd', sijn lieve kudde weyd, Daer 't rosen-dal sijn soeten reuk verspreyd.

13. 17. Tot dat die dag aen komt, ende de schaduwen wijken. Keert wederom mijn Liefste, ende word ghelijk een jong hart opde scheydbergen. Tot dat de wind des daegs sich op gaet wecken, Terwijl dat ook de schaduwen vertrecken, So komt mijn Vriend, en word gelijk een hind, Het geen men veel in d' affscheyds-bergen vind.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.