1. 2. MYn hert stort uyt, om liefelijk te quelen, Mijn rijm-gedicht wil van den Koning spelen, 3. Mijn tong en stijl sijn als een schrijvers schacht. Gy sijt de schoonst van 't menschelijk geslacht: Dijn lippen sijn vol aengenae-
me reden: Dies segend God dijn doen in eeuwigheden. 4. O sterkste Held! hangt toch dijn swaerd op sij, 'Tswaerd dijner eer, en dijner heerschappij.
2. 5. Rijd met geluck in dijn zieraed, en klaerheyd, Rijd op het woord van Godes heyl, en waerheyd, En handelt wel, en spreekt gerechtigheyd, Verzierd met deugd, en met sachtmoedigheyd, En laet dijn hand wat wonderlijks verrichten. 6. 'Tvolk valt voor dij, door dijne scherpe schichten, En so wie oyt den Koning tegenstond, Die geeft het op door dijne hand gewond.
3. 7. Dijn troon (o God!) sal eeuwig-eeuwig blijven, De staf dijns rijks die sal de waerheyd stijven. 8. Gy hebt het recht en 't goede lief, en waerd, Gy haet het quaed, en 't volk van boosen aerd: Dies heeft God dij, meer dan dijn met-genooten, O God! met salf der vreugde overgoten. 9. Al dijn gewaed dat ruykt seer lieflijk mee Naer Cassia, naer Myrrh', en Aloe,
4. Gy komt uyt dijn yvooren-hof getreden, Alwaer gy word van yder aengebeden. 10. De dochters selfs van Koninklijk geslacht
Sijn onder die die gy de naeste acht: Daer sit de Bruyd, met dijne liefd bevangen, Ter rechterhand, met Ophirs goud behangen. 11. Hoort dochter, siet, en neygt dijn oren wat, Vergeet dijn volk, dijns vaders huys, en stad.
5. 12. De Koning sal lust in dijn schoonheyd krijgen, Hy is dijn Heer, wilt voor hem neder nijgen. 13. De dochter Zor, en rijksten van het land Die eren dij met gaven in de hand, 14. Des Konings Bruyd is kostlijk uytgestreken, Inwendig schoon, en 't kleed met goud besteken. 15. In stickzel-werck, en zierelijke pracht, Word sy voor hem, den Koning, opgebracht.
6. De maegden-reij, de sleep der speel-genooten Komt mee met haer voor dij hier aengesloten, Die leydmen ook met-een met haer daer by, Die leydmen ook met-een met haer voor dij. 16. Men leydze daer met vreugd, en vrolijkheden: So komen sy in dijn paleys getreden, So stellen sy den Koning sich ten toon, En treden op voor dijnen waerden troon.
7. 17. Dijn kind'ren ook, die 't houlijk dij sal baren, Die sullen staeg der vad'ren plaetz bewaren. Die treckt gy op tot vorstelijken staet, Al voord en voord, so wijd de wereld gaet. 18. 'K wil dijnen naem met hertelijk verblijden Van stam tot stam vertellen, en belijden: Dies sullen dij de volk'ren al gelijk Verheffen (Heer!) altoos, en eeuwelijk. Het oog om hoog.
EYNDE.
Cookies on Poetry Cove