Skip to content
1629

Het Hoog-lied van den heyligen ende wijsen koning ende propheet Salomon

Samuel Ampzing

Op de wijse vanden viij. Psalm.

1. Christus.1. Ik ben eene rose te Saron, ende eene lelie inde dalen. IK ben een roos van Sarons lieve palen, Ik ben een bloem, een leli inde dalen. 2. Als eene lelie onder de doornen, so is mijne Vriendinne onder de dochteren. Eene schoone roos is aller doornen roem, So is mijn Bruyd ook aller docht'ren bloem.

2. De Kerke.3. Als een appelboom onder de wilde boomen is, so is mijn liefste onder de sonen; ik hebbe lust in sijne schaduwe ende sitte daer onder: ende sijne vrucht is soet in mijnen mond. Een appel boom is meer dan wilde boomen, So word mijn Vriend de beste mee vernomen: Sijn schaduw is de lust van mijn gemoed, En sijne vrucht is mijne kele soet.

3. 4. Hij voerd mij inde plaetze der maltijd, ende de liefde is sijne baniere over mij. Hy leyde mij in sijne maeltijds sale, Sijn liefde is mijn leverije, en dwale, 5. Onder steunet mij met fleschen, ende onderhoudet mij met appelen: want ik ben krank van liefde. Versterkt mij wat met uwer fleschen wijn, Uw appel-werk laet mijn verquicking sijn.

4. 'K Ben liefden-krank. 6. Sijne slinkerhand ligt onder mijnen hoofde, ende sijne rechterhand omhelsd mij. 'K moet op sijn handen leunen, Sijn slinker-hand is onder 't hoofd gepast, Sijn rechterhand houd mij omhelsend vast.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.