Skip to content
1629

Het Hoog-lied van den heyligen ende wijsen koning ende propheet Salomon

Samuel Ampzing

II. 7. 10: Keert weder, keert weder o Sulamith, keert weder, keert weder, so willen wy u aenschouwen. Wat siet gy toch in dese Sulamith? als de reijen te Mahanaim. O Sulamith wilt wederkeren, Keert weer o Sulamith! So willen wy dies vreugd handteren. Hoe gaerne sag ik dit? Wat kan in Sulamith dij greijen? Is sy niet vuyl, en slim? Sy is mij als de vreugden-reijen En 't spel Mahanaim.

8. 11. Hoe schoon sijn dijne voeten inde schoenen, gy Vorsten Dochter: de gordels dijner heupen sijn gelijk kostelijke ketens, het maekzel van handen eens uytnemenden konstenaers sijnde. Hoe richtig-vast staen dijne gangen, O edel vorsten-saed! De gordels die dijn heup omvangen Sijn ketens-schoon-zieraed, Een heerlijk maekzel van een seker En dapper konstenaer. 12. Dijn navel is als een ronde beker, dien geen drank en ontbreekt: dijn buyk is als een hoop tarwe, rondom met lelien beset. Dijn navel is een ronde beker Van drank staeg vol,en swaer.

9. Dijn buyk is tarw op een gedrongen, Met lelien omheen. 13. Dijne twee borsten sijn als twe jonge rheen, tweelingen van een rheekalf sijnde. Dijn borsten sijn twee hinden-jongen. 14. Dijn hals is als een yvooren toren: dijne ogen sijn als de konstige vyvers by de volkrijke poorte: dijne neuse is als de toren Libanon die na Damascus siet. Dijn hals een sterkt van been. Dijn ogen als een vyver-voren, Die by de schaeps-poort vliet. Dijn neus als Libanon de toren, Die na Damascus siet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.