Skip to content
1629

Het Hoog-lied van den heyligen ende wijsen koning ende propheet Salomon

Samuel Ampzing

I. 4. Sy is haers moeders een-geboren, en is haer lief, en waerd, Sy is de diere uytverkoren Van die haer heeft gebaerd. Sy sullen haer wel salig noemen De dochters overal, De by-wijfs sullen haer ook roemen, En 't koningin-getal.

5. 7. Wie is die daer verschijnt als de dageraed, schoon als de mane, suyver als de sonne, schrickelijk als de slag-ordens met vliegende banieren? Wie blinkt daer als des daegraeds salen, Schoon als de silv're maen, En suyver als der sonnen-stralen? En wie komt daer ter baen Verschricklijk als de ys're knechten, Die in slag-orden staen, Om bloedig onder-een te vechten Met hun ontwonde vaen?

6. 8. Ik was tot den noten-hof afgegaen om de groene spruyten aen de beke te besien, of de wijnstock bloeijde, ende of de granaet-boomen begonnen uyt te spruyten. 'K was tot den noten-hof getogen, Om 't lof der beken-stroom, Om 't spruyten-groen, des wijnstocks ogen, En des granaeten boom. 9. Ende als ik niets en vernam, so sette mijne siele mij op de wagens van mijn vrijwillig volk. En als mijn ogen niets en sagen, So sat dan mijne siel Op mijn vrijwillig volk hun wagen, En op hun vlugge kiel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.