Op de wijse vanden xxiv. Psalm.
1. Christus.1. Siet, gy sijt schoon mijne Vriendinne, siet gy sijt schoon: dijne ogen sijn [als] druyvenogen tuschen dijne vlechten: dijn hayr is als van eene kudde geyten die ['t gras] vanden berg Gilead afscheren. MIjn Bruyd, gy sijt wel overschoon, Dijn duyvenogen staen ten toon In 't midden dijner beyde vlechten: Gy hebt so fijn en edel haer, Als op 't gebergt de geyten-schaer Het gras in Gilead gaen slechten.
2. 2. Dijne tanden sijn als eene kudde [schaepen] die net op eene mate geschoren sijn, die uyt de wasch-plaetze opklimmen, die alte samen tweelingen dragen, ende geene onder hen en is onvruchtbaer. Dijn tanden staen by een gevaet, Als een kudd', die op de maet De wolle net is afgeschoren, Die uyt haer water-plaetze treen, Daer geen onvruchtbaer is, niet een, Daer tweelingen van sijn geboren.
3. 3. Dijne lippen zijn als een roodverwig snoer, ende dijne sprake is liefelijk: dijne wangen sijn als een stuck van een Granaet-appel tuschen dijne vlechten. Dijn lippen sijn een roode draet, Gy voert een aengenaeme praet, Dijn schoone vriendelijke wangen Die sijn van liefelijken staet, Gelijk een appel van Granaet, Die tuschen dijne vlechten hangen.
4. 4. Dijn hals is als Davids toren, die tot een hoog bollewerk geboud is, daer duysend schilden aen hangen, al te samen schilden van kloeke helden sijnde. Dijn hals is als Davids perk, Sijn toren, en sijn bollewerk, Verzierd met schilden veeler helden. 5. Dijne twee borsten sijn als twee jonge tweelingen van een hinde-kalf die onder de lelien weyden. Dijn borsten sijn twee rheen geacht, Die van een hind sijn voordgebragt, En weyden in rose-velden.
Cookies on Poetry Cove