Dooden dans, Verbeeldende Een Kind, Door de doot, van tussen zyn Ouders weg gerukt. Zes-en-twintigste Plaat.
WAT leven heest, gevoelt iets werkzaams in 't beveelen Zyns Scheppers, om iets, zyns gelyke, voort te teelen. Geen beest hoe schriklyk en ontembaar; nog geen vee, Hoe 't ook genaamt mag zyn, geen vissen, 't zy in Zee, In staande Wateren, in Poelen, of Rivieren; Geen zoort van vogelen, of andre vleugeldieren, 't Zy in de Lugt, of in de Waat'ren, of op d'Aart; Geen zoort van Slangen, 't zy hoe listig ook vermaart; Geen kruip-dier, 't zy van die in 's aardryks boezem wonen, Of van die, die zig op de schors des aartryks tonen; In 't kort, geen dier, het zy dan waar, of hoe, 't ook leeft, Of 't heeft een zugt, waar door 't, na voort te teelen, streeft. Maar dat dier, 't welk de naam van mens, door God ontfangen Heeft, vint zig zelve, door een hartelyk verlangen, Geprikkelt, om zig, door het teelen, in een staat Te stellen, die hem kan ver-eeuwen, in zyn zaat. Het schynd den mens, als zoud het zyn genoegen hindren,
Indien hy sturf, en zag geen middel om, door kindren Herdagt te worden; en het strekt hem tot een lust, Wanneer hy kinderen van zyne kindren kust. Eens beesten liefde, ontrent zyn teelsel kan vervremen; Men ziet het; men bespeurt die daaglyks af te nemen; Zodanig, dat het beest in 't kort die gants verlaat; Het byt zyn teelsel van zig af, en toont het haat: Maar met de menschen, die de kindren als een zegen Aanmerken, is het op een andre wys gelegen: De liefde tot het geen hy teelt, vermindert niet; En 't leet der kindren strekt den oudren tot verdriet: Zy hebben altyd met hun kindren een beooging Tot vreugde en nut van beide; en al hun doen en pooging Strekt, om hun kindren tot het voorbedoelde wit Te doen genaken; en uit ramp en onderspit Te redden; en in 't kort, zy pogen 't zo te maken, Dat hunne kindren, na hunne oudren doot, nog blaken In liefde; en dat men, na hun doot, hun naam niet noem, Als met een by gevoegde en kinderlyke roem, Oorspronkelyk uit hun genegenthyt en goethyt: Hen op te voeden, strekt de moeder tot een zoethyt; De vader tot een lust, en hartelyke troost; En van hun beide wort het kint geminnekoost: Men wil de moeite, en zorg, voor 't mensjen op te voeden, Zich zelve, door het zoet, en troost, vol op vergoeden: Men troost zig graag de moeite en koste voor het kint, Om dat men daar zyn vreugde, en zoet, en troost in vint: Men vleit zig, dat 'er zulk of zoo een van zal groejen; En als 't bequaam wort om zich daar mee te bemoejen,
Bemoeit men zig met al wat daar toe baten kan; Men schroomt geen kosten, nog geen vlyt, om zulks daar van Te maken, als men tot zyn oogwit heeft genomen, Om endlyk daar door aan 't bestemde park te komen; En schoon veel jaaren zyn van node tot die zaak, Men troost zig, hopende op het voorbeoogt vermaak, Waar toe men 't met veel zorg en moeite zoekt te kweken: Maar hier komt ook de doot, al 't gantsche werk verbreeken; Die rukt het kint, wanneer 't zyn oudren 't meest bekoort Van tusschen beiden weg, en gaat 'er maar mee voort: Hier baat gean schryen, nog geen naar gekerm, nog klagen; Wanneer men sulk gewelt, van menssen, soud verdragen, Men zoud 'er alles wat men had veel eer by op Doen zitten; 't leven zelf; al zoud 'er hals en kop Aan hangen: of indien men iets van 't geld kond hopen, Geen geltsom was te groot om 't noot-loot af te kopen, De liefde die men tot beminde kindren draagt, Is zo verheven, dat men 't alles voor haar waagt: Maar als de doot komt, laat die zig, door gelt te geven, Nog kragt, verdryven; die komt maar alleen om 't leven. Indien men zeggen woud: dit enig kint is waart; Om zeekre redenen, en oorzaak, dat men 't spaart; Al zulks is nul: hier gelt geen oorzaak nog geen reden: De doot is noit, als met het leven zelf te vreden: Die ziet op armoe, noch op rykdom; onderscheit Van staat, is by hem niet bekent: want hy bereit Zyn schichten niet alleen voor laag geboren borsten, Maar ook tot kinderen van Koningen en Vorsten. Hoe nut ten dienste van den Lande, of van het ryk Hy agt eens Vorsten kint, en beedlaars kint, gelyk; En doet zyn beeltenis in alle leven prenten.
Het onderscheyt bestaat zomtyds in d'instrumenten, Waar door hy 't werk, na dat hy 't vonnis luit, bemerkt; Maar eerst is 't lighaam met het merk des doots gemerkt, Severus Pertinax, d'achtiende Roomsche Keyzer, Die Christen-bloethont, en Geleerde-mannen-pryzer; Met groote blytschap tot het Keyzerdom erweelt, Heeft eerst uit Martia, zyn eerste vrouw, geteelt. Dien Bassianus, die ook Caracalla wierde Genaamt, en 't Keyzerryk, na 's vaders doot, bestierde. Wen Martia nu was gestorven, en hy out Van jaren, is hy nog aan Julia getrout; Een maagt uit Syriën, van Koninklyken bloede; Wiens schoonheit hem 't verlies van Martia vergoede; Die baarde hem Geta, een zeer aangename zoon; Bevallig, vriendelyk, lieftallig, en zeer schoon: Maar Caracalla, wen Severus was gestorven, Zyns vaders Keyzerryk nu hebbende verworven, Trad niet alleen in 't ampt des Keyzers, als iets groots, Maar trad ook, eeven of 't hem voegde, in 't ampt des doots, En doode Geta, zyn gezeide jonge broeder, Gevlugt in d'armen van vrou Julia, zyn moeder: De jongen riep, wanneer hy tot zyn moeder vlood, Ag moeder help my eer myn broeder my doorstoot. De Keyzer Leo, zoon van Kyzer Constantinus Copronymus (ten tyde als Duitslant, door Pipinus, Verheert wierd) had een zoon, een waardig eenig kint, Van negen jaaren, zeer uitmuntende, en bemint Van zyn Heer Vader, die, om hem zyn gonst te tonen In zulk een jeugt, hem deed ten medekeyzer kronen, Ten pronkcieraat en praal van kindren zynes zoorts; Dog wierd, in 't kort nog, door een doodelyke koorts Genepen, en de Doot ging vaardig met hem hene, Ten druk zyns vaders, en des Keyserins Irene. Lotharius, de zoon des Keyzers van die naam.
Had dartien jaaren, en wierd, mits zyn geest, bequaam Geroemt, een Keyserryk, in luister, te regeren: Hy kond de Vorsten tot hunne eer en pligt doen keren Door brieven, uit zyn bryn beweeglyk op gestelt: Uit al zyn wezen blonk niets anders, als een Helt: Zyn spraak was deftig, met een uitdruk zyner woorden: Hy was zodanig, dat hem niemant zag, nog hoorde, Dat niet een hartlyke verwondring aantrof, uit Zyn Vorstlyk wezen, en doordringend spraak geluit, Hier door verstrekte hy tot een wellust, beide te gader: Zyn moeder Brixae, en Lothario zyn vader: Maar al deze agting dreef de Doot niet van hem af, Vermits een schelm hem, door een snoot vergif, vergaf. Des Doots geweer treft meer op kindren, als op ouden: En d'ondervinding doet het voor verzekert houden, Dat zelf het merendeel der oudren, overleeft Het merendeel van al de kindren, die het heeft Geteelt: en 't gaat zeer vast, dat, voor de twintig jaren, De meeste menschen zig al met een dootkist paren; En van die stervers zyn de meeste al afgeleeft, Eer een van allen nog de zeven jaren heeft. Alle oudren moeten zig dit vast voor oogen stellen, Om zig te minder, door 't verlies huns zaats, te quellen: Het sterven is het lot der menschen in 't gemeen: Maar onder die gaan nog de kindren voor ons heen.
U, groote God, zy roem, en dank gezeit, voor 't leven Van zoo veel jaren als ge ons mildlyk hebt gegeven! Doet ons die gonst nog, als gy 's levens bant ontbint, Dat ge ons genadig zyt, gelyk een teder kint!
Cookies on Poetry Cove