Dooden dans. Christi Hemel-vaart. Achtste Plaat.
DE wet, waar aan het Volk der Joden streng gebonden, En vast verknogt was, mits hun wederspalt, en zonden Verstrekte een slaverny, en ygentlyke straf, Een schets, waar door het geen toekomstig was, hen af En voorgebeelt was, als een schaduw. Door Propheten Gods afgezanten, had hen God genoeg doen weeten De tyd, de plaats, en wys, wanneer, en waar, en hoe Hy hen dien last, en straf ontneemen woud: hier toe De man, door teekenen, doen kennen, die 't verrigten En die hen, van die wet des dienstbaarheit verlichten Ja gants ontlasten zoud. Hun booshyt had de schult, Dat zy niet speurden, dat de gantsche wet vervult Was, door Jesus: zo ook, dat zy niet konden merken, Aan al de meenigte van zyne wonderwerken Geboorte, en teekenen, die waarlyk over een En zamen stemden, met het geen van hem voor heen Gezeit was, dat hy zelf de man was, Gods beminden En welgeliefden zoon, die hen des wets ontbinden Moest, en het zuiver lam zyn, dat ten offer, voor De zonden van het volk geslagt moest zyn. Maar, door Propheten, was dit volk zeer zelden te overtuigen. Hun steenen hart liet zig vermurwen nog verbuigen, Jerusalem was van outs af aan gewent Gods afgezanten, hoe baarblykelyk bekent,
Door steenigen, en andre afgryselyke dooden, Van kant te helpen, en van 't aardryk uit te rooden. Men agte daar Gods leer en wil en woort niet meer; Maar ider leefde en deed veel meer na menschen leer: Schoon God hen zeide, dat zy te vergeefs hem eerden, Die 't volk, door leringen, geboon der menschen leerden: Maar Gods wil wierd verschopt; en wie 't hen zei, ontbloot Van 't leven: endlyk wierd Gods zoon ook zelf gedoot. Het teeken, dat hy op den darden dag verryzen Zou, was geschiet: men had nu stof om God te pryzen: Het was hen, door de wagt, klaarblyklyk aangebrogt: Maar neen: die wiert, door hen, met gelt, noch omgekogt, Om zelfs de waarheit, door een schelms-verdigte loogen, Te dempen; want men wou de waarheit niet gedoogen. Men gaf zyn leerlingen de schult, van 't graf berooft Te hebben: deze die nu zworven zonder hooft, En zelve 't graf, ontbloot van hunne meester, vonden, Begrepen zelf niet, wat zy daar van denken konden, Of zouden. Twee van hen, dien zelven dag, na 't vlek Van Emmaus gaande, was hun onderling gesprek, Met droefheit, van al die nu voorgevallen zaaken. Jesus, terwyl zy met malkandren daar van spraken, Quam by hen, en ging met hen, zeggende: wat syn 't Voor redenen, die gy verhandeld? waarom schynt Gy droevig? 't antwoort was (wyl hen 't gezigt gehouden Wiert, op dat ze hem zo haast nu nog niet kennen zouden)
Zyt gy alleen dan in Jerusalem een vreemt, Dat gy niet weet, nog van die dingen niet verneemt, Die deze dagen daar geschiet zyn? zelf ook gener? Hy vroeg: van welke? van Jesus den Nazarener, (Was 't antwoort) een Propheet, een waardige Gods tolk, Vol kragt, in woort, en werk, voor God, en voor het volk, Door d'overpriesteren, en oversten, ten oordeel Des doots, gelevert en gekruist: wy hadden 't voordeel Van hem gehoopt, dat hy die was, die Israël Verlossen zou: en dit baart ons te meer gequel, Dat wy de darde dag na zyn begraving tellen. Ook zyn 'er vrouwen, die ons dof gemoet ontstellen, Die dese morgen, vroeg, in 't graf ge weest zyn, daar Sy hem niet vonden, maar wel engelen, die haar Verzekerden, dat hy niet doot was, maar nu leefde: Waar op dan zommigen van d'onzen daarwaart streefden, En vonden hem niet in het graf, daar hy gelegt Was; maar wel zulks, als hen door 't vrouwvolk was gezegt. Dit was de zamenspraak. Dit's oorzaak onzer smarten. Als toen sprak Jesus: o gy trage en onverstandige harten In aan te nemen, al het gene, dat u, door Soo veel propheten, was verkondigt, lang te voor: Moest niet de Christus al die dingen, die ze hem deden Verdragen, lyden, en alzo ten glorie treden? Doe heeft hy hen, het geen van hem was voorgesegt, Verklaart, en na den zin volkomen uitgelegt, Beginnende van Moses en alle de Propheten! Deed hy 't hen alles, kort, dog klaar, en bondig, weten. Nu quamen zy by 't vlek van Emmaus; en hy dee
Als wou hy verder gaan: maar zy, niet wel te vree Hier meede, dwongen hem met reeden; en zy zeiden: Blyft by ons! 't wort te spade om van ons af te scheiden. 't Is by den avont, en de dag is reets gedaalt, Vermits de zon van ver maar langs het aartryk straalt. Hy ging dan met hen in. 't Gebeurde, doe men eeten Zou, als hy met hen aan de taaffel was gezeeten, Nam hy het broot, en dankte, en brak 't, en gaf het haar. Nu wierd hy, door het broot te breeken, openbaar Door hen gekent: maar hy is haar gesicht ontkomen. Doe zeiden zy, als door verbaastheit opgenomen: Brande onze harten niet in onzen boesem, bei, Als hy ons op de weg de schriften open lei, En anders met ons sprak? zy nu, ten eersten, gingen Te rug, weer na de Stad, daar zy die wondre dingen Verkondigden, aan d'elve, en d'andren, die by een Vergadert waren: dog, daar wiert aan alles geen Geloof gegeven. Doe de duisternis genadert Was, en de broedren, in een huis, by een vergadert, In goede menigte, en de deur vast in het slot Gesloten hadden, om de vrees voor 't boze rot Der Joden, quam Jesus in 't midden van hen allen: Zy wierden, hier door, van de schrik, en vrees, bevallen, En meenden, dit was nu voorzeker wel een geest. Maar hy sprak tot haar: waar voor zyt gy dus bevreest? Hoe kunt ge u harten dus beklemmen, en ontroeren? (Wat laat ge u, door een losse en ydle waan, vervoeren, Als zaagt ge een spook, of geest, van 't onderaarts gewelf) Ziet hier myn handen, en myn voeten, ik ben 't zelf. Besiet my! tast my aan! een geest heeft vlees nog benen,
Gelyk gy siet dat ik die heb. En strak, met eenen, Toonde hy zyn handen, en zyn voeten, gants doorwond: En als hy hen, door vreugt, nog ongelovig vond, Vermits hy niets, tot hun vernoeging, wou vergeeten, Sprak hy dan weder: hebt gy hier niet iet wets te eeten? Doe gaven ze hem een stuk van een gebraden vis, En honing-raten. Hy, tot hun verzekernis, Nam 't vlytig aan, en at het, voor hun aller oogen. Doe zyn zy, tot geloof, met grote vreugd, bewoogen: Maar hy verweet hen hun hartnekkig ongeloof; Om dat zy sig, met hart, en ooren, beide, doof Gehouden hadden, voor die hem, na hy vereezen Was, hadden zelf gezien; als of 't bedrog mocht weezed. Dit zyn de woorden, zei hy, welke ik tot u sprak, Als ik noch met u was, in 't velt, en onder 't dak: Dat alles, wat van my, door Moses, de Propheeten, En in de Psalmen, is beschreeven om te weten, Vervult moest worden. 't Was hen meer als eens herhaalt, En, door de Schriften, net na 't leven afgemaalt, Maar niet begrepen, Hy heeft hen 't verstant ontbonden, Op dat zy klaarlyk al de schriften wel verstonden. Dus staat'er, zei hy, en de Christus moest die pyn En smaathyt lyden; wyl de Schrift vervuld moest zyn; En op den darden dag weer opstaan uit den doode ('t Was, tot vervulling van de Schriften, zoo van noode) Zo ook, dat namaals, in zyn naam, in 't algemeen, Bekeering en ontslag van zonden, ider een,
En alle volkren, moest gepredikt zyn, en binnen Het groot Jerusalem, den aanvang, eerst beginnen: Gy lieden zelve zyt getuigen: ge hebt gehoort Al deeze dingen, lang voor heen, van woord tot woord. Doe dit geschiedde, was hier Thomas, een van de elve, Niet by: zy bootschapten hem dan: wy hebben zelve Den Heere Jesus, gehoort, gesprooken, en gezien. Maar Thomas antwoorde, en sprak tot hen: indien Ik zelf, zyn handen, en daarin, het spykerteeken, Niet koom te zien, en daar myn vingren in te steeken, En ook myn hant niet in zyn zyde steek, gewis 'k Zal noit gelooven, dat u zeggen waarheit is. Maar, na acht dagen, als doe zyn disciplen weder Vergadert waren, en daar Thomas by, gereder In ongeloof, als oit, de deur gesloten, vry Voor iets van buiten; quam Jesus zelve hier by, En stond in 't midden, zeggende vreede zy u lieden! Om Thomas nu zyn hulp, uit ongeloof, te bieden, Sprak hy tot hem: komt, brengt u vinger hier! beziet Myn handen! steekt u handt in myne zyde, zyt niet Meer ongelovig, maar gelovig! Thomas ziende Nu niet meer ovrig, dat tot stof van twyffel diende, Gaf nu ten antwoord, met een gants verbaasde stem. Myn Heer en mynen God! doe sprak Jesus tot hem. Gy Thoma, hebt gelooft, om dat gy, met u oogen My hebt gezien: 't gezicht heeft u daar toe bewoogen: Gelukkig zyn ze die niet zien, en nochtans mee Geloven zullen, Doe is 't namaals, aan de zee
Tiberias, gebeurt, daar zyn disciplen visten, En heel die nacht hun tyt vergeefs daar mee verk wisten, Dat in de morgenstont Jesus, daar staande op strant, Riep: kindertjes! hebt gy een toespys by der hant? Zy riepen: neen! en hy weer, willende hem verblyden, Riep: werpt het visnet uit, en vist ter rechter zyde Van 't Schip; en daar zult gy 't bevinden, zoo als 't hoort! Zy wurpen dan het net aan stuurboort buiten boort, En konden 't, mits de vangst, niet weder tot zig trekken. Nu quam Joannes, hem, die zeegende, te ontdekken; En zei tot Petrus: 't is de Heer. Door dit verstant Sprong Petrus buiten boort, en zwom terstond aan 't land, Om by zyn Heer te zyn, en liet voor zyn gezellen De zorg, om 't schip, aan strant, omtrent twee hondert ellen Van boort af, met het net te slepen. Zyn verlangst Was grooter na zyn Heer, als na de groote vangst. Als d'andren ook dan, met het schip, te lande, zaamen By hunnen goeden Heer, verbaast van blydtschap, quamen, Was daar al vuur, en vis daar op, en broot daar by. Doe sprak Jesus tot hen: brengt van die vis, die gy Nu strak gevangen hebt, om daar van op te dissen! De vangst was hondert drie en vyftig grote vissen, Die Petrus, met het net, gants zonder ramp of quaal Op 't lant trok; en Jesus deed hen het middagmaal Daar by hem houden; en is daar by hen gebleven. Hy nam het broot dan, en hy heeft het hen gegeven, Na zyn gewoonte, als ook de vis, met een zeer goet
En vrindlyk wezen, als een goeden vader doet. Na 't middagmaal wou juist zyn spraak tot Petrus wezen, Dus: Simon, Jona zoon, mint gy my meer als deze? Ja Heer (sprak hy) gy weet het dat ik u bemin. Jesus dan zy hem: weyd myn lamren! in dien zin Vroeg hy ten tweedemaal, met uitgedrukt begeeren: Gy Simon, Jona zoon, hebt gy my lief? ja heere (Sprak Petrus) en gy weet dat ik u lief heb. Hoed Myn schaapen, sprak Jesus; en vroeg op staande voed En voor de dardemaal; ook dat hy niets vertoefde Gy Simon, Jona zoon, bemint gy my? 't bedroefde Nu Petrus, dat hy hem ten darde maal zulks vroeg; Dies gaf hy te antwoordt, met een stem, bedrukt genoeg: Heer! gy weet alles (en kent myn hart van binnen) Gy weet ook, dat ik u bemin, met al myn zinnen. Jesus sprak weder: weyd myne schaapen! en heeft hem Zyn doot, aan 't kruis, verbeelt, met een verstaanbre stem. Doe zei hy: volgt my! en hy ging hen elders leiden; En heeft hen zeekre berg, in Galileen, bescheiden, Daar hy begeerde, dat de broederschap hem zou Gaan vinden; wyl hy daar weer by hen wezen wou. Hier quamen de Elve dan, met hoop en zorg belaaden, Ontrent dien berg: en als ze hem zagen, zoo aanbaden Ze hem. Sommige van hen dog twyffelden. Hy brak Die twyffel moedigheit; quam by hen staan, en sprak Tot al de Broedren, die zig daar te samen schaarden: My is gegeven, in den Hemel, en op Aarde,
Volkomen magt. Gaat heen door al de werelt: leert En onderwyst al 't volk, op dat het zig bekeert! Ik zende u, zo als my myn vader heeft gezonden. Het Euangelium zult ge ieder een verkonden; Hen dopende, in de naam des Vaders, en des Zoons, En Hyl'gen Geestes (en bekreunt u niet des loons, Agt op geen onderscheyt van Hydenen en Joden) Leertze onderhouden al wat ik u heb geboden, In al de Landen die ge u leven lang doorloopt. Wie dat gelovig zal geweest zyn, en gedoopt, Sal zalig worden; maar wie niet gelooft, verdoemt zyn. Dat zal den volkren voor gesprooken, en genoemt zyn. Hy had te voren, als hy by hen had geweest, Hen aangeblazen, en hen doen den Hyl'gen Geest Ontfangen, en gezeid; wiens zonden zy vergeeven, Of houden zouden, zulks zou in den Hemel, eeven Alzoo geschieden. Nu hier na gebeurden het, tot Jerusalem, doe zy al daar, op zyn gebodt, Vergadert waren, dat ze hem vraagden, als zyn knegten, Of hy 't ryk Israëls nu weder op zou regten? Maar hy sprak tot haar, het komt u niet toe, de tyt Te weten, noch ook zelf niet die gelegenthyt, Die zelf de Vader heeft gesteld in zyne magten. Maar gy zult van om hoog des Hyl'gen Geestes kragten Ontfangen, kort hier na, dies blyft gy in de Stad Jerusalem, en verlaat die niet, voor dat Gy aangedaan zult zyn met andre kragt van booven. Verwagt dien Geest daar, die de Vader doet belooven.
Gy zult getuigen zyn in heel Jerusalem, ja Door gans Judea, door geheel Samaria, En tot aan 't uyterste der aarde. Dit nu zeide Hy hen uitdruklyk; als wanneer hy haar geleide Na buiten, tot ontrent Bethanien: alwaar Hy op de Olyfberg ging; zyn handen ophief; haar Zyn zegen gaf, en van haar opvoer in den hoogen Regt op, ten Hemel; tot een wolk hem, voor hunne oogen, Onzigtbaar maakte. Hier nu trok hy van haar af Ten Hemel, als hy hen zyn laatsten zegen gaf. Hier kon geen twyffel zyn. Zy zaagen 't openbaarlyk. Zy zagen 't alle, mits het helder dag was, klaarlyk. Ze aanbaden hem, terwyl hy opvoer. Hun gesigt Geleide hem opwaarts, en bleef daarwaarts heen gerigt, Zo lang zy, met het oog, hem, opwaarts, volgen konden. Terwyl zy dus, hem na, ten Hemel zagen, stonden Twee mannen by hen, gants in zuiver wit gewaat Gekleet; en zeiden tot de broederen: wat staat Gy Galieeërs dus ten Hemel op te staaren! Dezelve Jesus, die van u is opgevaren Tot in den Hemel, zal alzoo, gelykerwys Als gy gezien hebt hem die vaardige Hemel-reys Aanvaarden; zo gelyk hy nu is opgenomen, Te zyner tyd, weer van omhoog, beneden komen. Doe keerden zy, vervult van blytschap, weder naar Jerusalem, maar eene sabbaths reys van daar, Al d'elf Disciplen, en de broedren, en de vrouwen,
En Jesus moeder, met een ernstig vertrouwen Volhardende in 't gebedt, onthielden zig te gaar Eendragtig, vreedsaam, in den Tempel, by malkaar.
ô God! u mogenthyt, en goethyt, zyn on-endig. Helpt ons, u Schepslen, wy zyn zonder u, elendig. Doet ons herleeven, om u goedertieren aart! Ay voert ons Hemelwaart door Christi Hemel-vaart.
Cookies on Poetry Cove