Skip to content
1852

Vrolijkheid

Prudens Duyse

III.

U, roembaar diertjen, dank en glorie, Die op de baan geen tweemaal mist, En door 't beoefnen der memorie Geleerd zijt als een Jacotist.

Men ziet u enkel door uw beenen Vergaan, te samen wijs en grijs. Wij martelen van top tot teenen Ons af, en sterven niet zoo wijs.

Lief vriendjen, vindt m' in u gebreken, 't Is enkel als gij 't mondj' ontsluit; Maar ook bij ons, zoodra wij spreken Steekt de aap der mouw niet zelden uit.

Wat wil men tegen u zoo schreeuwen? 't Is enkel overloop van gal. Gij drijft ter vlucht de felste leeuwen, En tart den sterksten donderknal.

De Zeber (zou 't mijn hart verbloemen), Is minder waard dan gij geëerd: Men kan hem maar een Ezel noemen, Onnuttig, doch gegaloneerd.

Uw rekbaar vel zie ik herschapen In perkament, en voort bereid Tot trom: 't laat niet den roem verslapen, En schenkt den held de onsterflijkheid.

Wat Cesar past, moet men hem geven: Wat ù past, geev' men u voortaan. Men sla u deftig na uw leven, Maar priegele u niet langs de baan.

Mocht ik een heldendicht u wijden! Zie, hoe Homeer den boezem zwelt, Wanneer hij u, bij gloriestrijden, Ten beelde kiest van eenig held.

Hij, die uw lof eens op zal deunen, Wil, onomstootbaar Dichtgenie, Zich aan den woorde niet bekreunen: ‘Hij zong dien held uit sympathie.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vrolijkheid · Prudens Duyse · Poetry Cove