III.
U, roembaar diertjen, dank en glorie,
Die op de baan geen tweemaal mist,
En door 't beoefnen der memorie
Geleerd zijt als een Jacotist.
Men ziet u enkel door uw beenen
Vergaan, te samen wijs en grijs.
Wij martelen van top tot teenen
Ons af, en sterven niet zoo wijs.
Lief vriendjen, vindt m' in u gebreken,
't Is enkel als gij 't mondj' ontsluit;
Maar ook bij ons, zoodra wij spreken
Steekt de aap der mouw niet zelden uit.
Wat wil men tegen u zoo schreeuwen?
't Is enkel overloop van gal.
Gij drijft ter vlucht de felste leeuwen,
En tart den sterksten donderknal.
De Zeber (zou 't mijn hart verbloemen),
Is minder waard dan gij geëerd:
Men kan hem maar een Ezel noemen,
Onnuttig, doch gegaloneerd.
Uw rekbaar vel zie ik herschapen
In perkament, en voort bereid
Tot trom: 't laat niet den roem verslapen,
En schenkt den held de onsterflijkheid.
Wat Cesar past, moet men hem geven:
Wat ù past, geev' men u voortaan.
Men sla u deftig na uw leven,
Maar priegele u niet langs de baan.
Mocht ik een heldendicht u wijden!
Zie, hoe Homeer den boezem zwelt,
Wanneer hij u, bij gloriestrijden,
Ten beelde kiest van eenig held.
Hij, die uw lof eens op zal deunen,
Wil, onomstootbaar Dichtgenie,
Zich aan den woorde niet bekreunen:
‘Hij zong dien held uit sympathie.’