II.
Vroeg was 't rood bekjen opgestaan,
En fladderde, als een vogel, aan,
Al neuriënd, en zwierde rond,
Daar Alexanders lusthof stond,
En deze op hoogen toren sliep,
Die uitzag op het schoonst verdiep
Van bergen en van palmenboomen,
Van zwanen, spelend in de stroomen,
Langs 't bloemenrijke groene dal,
En van fonteinen overal;
Uitstralend in den zonneschijn:
Er mocht geen fraaier landschap zijn.
De Wijsgeer zat in een priëel,
In oefenend gepeins geheel
Verzonken, en hij ziet
Het aardig dingsken niet
In 't blanke nachtgewaad, met blauwen mantel komen
Een kransje op 't hoofdeken gehecht,
Bij 't kunstloos zwieren van haar gouden vlecht.
De goede man! hij had te droomen
Van hooger zaken,
Van boeken maken,
En zulke meerder. Dan haar lied
Rijst zangerig omhoog, als 't murmlen van een vliet.
Hij heft het hoofd verstrooid, en dacht:
‘Is dit het nachtegaaltje?.. Zacht!’
Hij schiet een blik door 't loover, en, zoo scheen,
Ziet hij een zusterken der drie Bevalligheên.
Dat hem verrukte,
Terwijl de lieve, vrij van keurs en vrij van zool,
Een roosje plukte,
Dat uit coquetterie ten halve in 't loover school.
‘Pluk het roosje
In zijn bloosje:
Als een droom vervliegt de jeugd.
Waar 't ons 's morgens kon bekoren,
Vindt men 's avonds maar den doren.
Leev' de liefde! leev' de vreugd!’