Skip to content
1852

Vrolijkheid

Prudens Duyse

II.

Vroeg was 't rood bekjen opgestaan, En fladderde, als een vogel, aan, Al neuriënd, en zwierde rond, Daar Alexanders lusthof stond, En deze op hoogen toren sliep, Die uitzag op het schoonst verdiep Van bergen en van palmenboomen, Van zwanen, spelend in de stroomen, Langs 't bloemenrijke groene dal, En van fonteinen overal; Uitstralend in den zonneschijn: Er mocht geen fraaier landschap zijn. De Wijsgeer zat in een priëel, In oefenend gepeins geheel Verzonken, en hij ziet Het aardig dingsken niet In 't blanke nachtgewaad, met blauwen mantel komen Een kransje op 't hoofdeken gehecht, Bij 't kunstloos zwieren van haar gouden vlecht. De goede man! hij had te droomen Van hooger zaken, Van boeken maken, En zulke meerder. Dan haar lied Rijst zangerig omhoog, als 't murmlen van een vliet. Hij heft het hoofd verstrooid, en dacht: ‘Is dit het nachtegaaltje?.. Zacht!’ Hij schiet een blik door 't loover, en, zoo scheen, Ziet hij een zusterken der drie Bevalligheên.

Dat hem verrukte, Terwijl de lieve, vrij van keurs en vrij van zool, Een roosje plukte, Dat uit coquetterie ten halve in 't loover school.

‘Pluk het roosje In zijn bloosje: Als een droom vervliegt de jeugd. Waar 't ons 's morgens kon bekoren, Vindt men 's avonds maar den doren. Leev' de liefde! leev' de vreugd!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vrolijkheid · Prudens Duyse · Poetry Cove