III.
Zingend plukte zij de roozen, Als haar wangen zoet aan 't blozen, En verrijkt met menig knopje, En met menig morgendropje; Spoedig prijkten ze op haar boezem, Blank als jonge leliebloesem.
En dit zag Aristoteles: hij waagt Nog een paar blikken onversaagd; Maar, duislig, stort hij voor haar voeten: ‘Verschoon me, aanbiddelijke maagd! Geen willen is 't, maar moeten. Mocht ik u als mijn wederziel begroeten O, zie me als uwen dienaar aan!’
‘Ha! ha! ha! wel, goede man, Zeg eens, waartoe voortaan
Een grijze baard mij dienen kan? Wel nu, 't zij zoo! daar valt me iets binnen; Men zie of gij nog kunt beminnen. Ik heb een luim... Dien mij, o grootste man der aard, Tot paard!
Het denkbeeld zij mal, Ik wil 't niet bestrijden. 'k Wil over u schrijden, 'k Wil ja, op u rijden Door laan en door dal. Zie dáar ligt een zaêl ter gelegener uur. Kom, buig u, en stel u in 't noodig postuur!’ De Wijze verzuchtte, En dacht! ‘Welk een kluchte: Het is ongelezen, het is ongehoord; Maar niemand die ziet het, Maar niemand bespiedt het: Dus, moedig, en voort!’
‘Blond hair of grijze baard, Vergeten of vermaard, Een ieder moet eens boeten, Die Amor heeft getart; Hij doet het stugste hart Schier kruipen op vier voeten.’
Zoo klonk door den tuine haar zilveren zang. Daar schatert een lach uit den toren zoo lang, Zoo lang en zoo luid, zóo, dat de andre het hoofd
Eens ophief, bijna van zijn zinnen beroofd. Het was Alexander, zijn leerling en vorst, Die hem op zijn beurte kapittelen dorst. ‘Gij spraakt van een lastdier, o meester! wel nu, Gij zijt van dit geestige pakje niet schuw!’
Toen zeide de Wijze, Met knorrig geluid: ‘Mijn schande hebbe uit! Ik ben maar een grijze; Ik was niet gestand, Ik, tegen dien brand; Maar 'k zal 't niet meer doen. Gij, Vorst, houd u koen.’
't Lief ruiterken loeg, En zeide: ‘Genoeg! Ik houde u ontslagen, Dit pakje te dragen, 't Is uit nu, het spel, Blijf wijs, en vaarwel!’
Cookies on Poetry Cove