III.
Nog d'eigen avonde sneed heur hand Den rustigslapenden galant Op haren schoot de lokken Glad af: toen Simson wakker was, Zag hij al 't onbesneden ras Op hem verachtend wrokken.
Nu werd de kaalaart, die de vuist Vergeefs verhief, bespot, verguist; De kaalaart was verloren, Gelijk voorheen in 't Leliënrijk
De onthairde vorst; ja, letterlijk Hij was er aan geschoren.
‘O grafslang! o verwenscht gedrocht! Hairplukken dij.... ach, zoo ik 't mocht!’ En hem ontschoot van woede Een gloeiende traan! Ach, Sions zoon, Nu kracht- en zielloos (welk een hoon!), Verkrimpt voor 's drijvers roede!
Ter prooi aan duizend akeligheên, Draait de arme man den molensteen, Met de oogen uitgestokèn. Hij ziet geen Dalilaas nu meer: Een vlaamsch geluk. Maar 't groeit alweêr, Zijn hair, stil uitgebroken.
Het groeit tot eens het wraakuur naakt, Waarop zijn oude moed ontwaakt, Na 't lange kerkerslaven, En hij de boeven altemaal, Met zich ten grootschen zegepraal In éénen ruk zal begraven!
- En nu de zedeleer? - Helaas! Er zijn nog vele Dalilaas, Door geene wet te fnuiken; Nog hebben zij 't gemunt op 't hair,
Doch onze Simsons tarten 't gevaar: Want hulprijk zijn de pruiken!
Nu staat er iemand op, die zegt: ‘Poeët, uw Simson is (oprecht!) Wat bij het hair getrokken;’ 'k Beken 't, maer, lieve kameraad, Simson was daar best toe in staat, Dank zijnen langen lokken.
Cookies on Poetry Cove