II.
‘Spreek (zeide ze met verliefden blik)!
Betrouw 't mij, lieve Simson: ik
Houde 't geheim toch stille,
Waar ook die wondere sterkte in steek'!’
Hij vond nu eene vrome streek,
En loog om beters wille.
En tweemaal dat hij werd verrast,
Bond men den Nazareër vast,
Naar kond van eigen woorden,
Terwijl hij stil te slapen lag;
En tweemaal brak de ontwaakte (als rag!)
De zevendubble koorden.
‘Hoe! mij mistrouwen!.... lieve schat,
Dien ik in minnende armen vat....
Zie mijne tranen leken.
'k Wist (zonder curieus te zijn)
Zoo gaarne toch, o vriendjen mijn,
Waar die sterkte in mag steken!’
Zij lonkte, en schonk den teedersten zoen:
‘Dat moog-de nog wel zesmaal doen,
Wil-de 't mij openbaren.’
Verwonnen door dien traan, dien lonk,
't Betooverd hart in laaien vonk,
Riep hij: ‘In mijne hairen!’
Stak zij nog in dien Rechtersbaard,
Zeer lichte had ik mij 't verklaard,
Naer 't dagelijksch ontmoeten:
Want wie den baard nu niet en laat staan,
En mag met zijnen bure niet gaan,
Noch zich als held zien groeten.’