II.
De fabel gaf u tot een makker
Sileen, verheugd bij 't Evoë;
Ook zijt gij, steeds tot blijheid wakker,
Met weiniger dan hij tevreê.
Men zegt, dat Phrygies Vorst vol naarheid
Zijne ezelsooren heeft vervloekt;
Maar 't is geen Evangeliewaarheid
Al wat bij Naso staat geboekt.
Gij voelde uw borst van lusten zwellen
Bij 't Grieksche volk, vol poëzij,
En op uw grafsteê mocht men stellen:
‘Ik ook leefde in Arcadie blij.’
Zal ik van Balaäm gewagen?
Zijne ezelin, gelijk men weet,
Zag d'Engel voor haar schreden dagen,
En was meer slim dan die Propheet.
Verschaft gij Simson niet een wapen,
Voorzien van weergalooze kracht,
En dat er duizend legt te slapen,
Te slapen bij het voorgeslacht?
Vervloekt moog' 't gulden Kalf vrij wezen,
Waar Israël de knie voor plooit;
'k Mocht van een gulden Ezel lezen,
Maar dat hij werd aanbeden, nooit.
Het Oost, uw wieg, bewees u eere,
Zich niet bekreunend aan uw stem.
Den kop omhoog, voert ge onzen Heere
Naar 't juichende Jeruzalem.
Ook zie ik als een held u gloren
ln 't heiligdom op 't kunstpanneel
Bij 't Kindeken, naast u geboren.
Wat koning viel zoo'n eer ten deel?