Skip to content
1852

Vrolijkheid

Prudens Duyse

II.

De fabel gaf u tot een makker Sileen, verheugd bij 't Evoë;

Ook zijt gij, steeds tot blijheid wakker, Met weiniger dan hij tevreê.

Men zegt, dat Phrygies Vorst vol naarheid Zijne ezelsooren heeft vervloekt; Maar 't is geen Evangeliewaarheid Al wat bij Naso staat geboekt.

Gij voelde uw borst van lusten zwellen Bij 't Grieksche volk, vol poëzij, En op uw grafsteê mocht men stellen: ‘Ik ook leefde in Arcadie blij.’

Zal ik van Balaäm gewagen? Zijne ezelin, gelijk men weet, Zag d'Engel voor haar schreden dagen, En was meer slim dan die Propheet.

Verschaft gij Simson niet een wapen, Voorzien van weergalooze kracht, En dat er duizend legt te slapen, Te slapen bij het voorgeslacht?

Vervloekt moog' 't gulden Kalf vrij wezen, Waar Israël de knie voor plooit; 'k Mocht van een gulden Ezel lezen, Maar dat hij werd aanbeden, nooit.

Het Oost, uw wieg, bewees u eere, Zich niet bekreunend aan uw stem.

Den kop omhoog, voert ge onzen Heere Naar 't juichende Jeruzalem.

Ook zie ik als een held u gloren ln 't heiligdom op 't kunstpanneel Bij 't Kindeken, naast u geboren. Wat koning viel zoo'n eer ten deel?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vrolijkheid · Prudens Duyse · Poetry Cove