Skip to content
1852

Vrolijkheid

Prudens Duyse

II.

Hij jaagde over heg, ende steg, over heî, Ende weî, Die zes jaren vol luste. 't Was raak, wat hij schoot; zoo gevierd als een Sant Van zijn heer, en de zaligste man van het land, Als zijn wijveken welkom hem kuste.

Zes jaren zal 't wezen, wanneer aan de kim, Als een schim, Weêr het daglicht zal rijzen: De jager zit bleek, en versuft, en verstomt: En peinst (als een katte, den rug zoo gekromd): ‘Op morgen! men zoude er van grijzen!

- ‘Wel, manlief, wat schort u? ge zit daar vol rouw In de schouw!’ En ze streelt hem de kinne, Tot deze 't niet langer verbergen en kon, En tevens 't Conditio sine qua non...... ‘Zeg, vrouwtjen, wat of men beginne?’

- ‘Is 't dàt maar, manlief! Wel dan redde ik u gauw Uit zijn klauw; Maar en schiet niet vóor 't vragen: Wat is het?’ - Weer bloosde de morgen zoo rood. De jager ging henen, maar hoorde devoot De mis, vóor hij trokke te jagen.

Het wakkere wijfjen, zoo groot als ze was, Deed zich ras Met siroop overstrijken; Op snijdt zij een pluimbed, vol lust en vol list, En wentelt daarin, zoo dat niemand meer wist Waaraan ze nu best mocht gelijken.

Zij huppelde in 't veld, als een hindeken, rond Op den stond, Dat, onlustig tot mallen, De jager naast d'andere stil kwam gegaan. Wat! biedt hun de verte geen pluimdier aan, De drolligste vogel van allen.

‘Schiet jager!’ - ‘Waarop dan?’ - Eerst huiverig stil. ‘'k Heb geen bril’ Zeî de zielekensroover.

Hoe tuurde hij angstig naar 't vedergedrocht, En vond maar geen name, hoe fijntjens hij zocht.... ‘O jager, ik geve mij over!’

- ‘Ha, ha, ons verdrag is verbroken, al wist Dijne list Mij zoo fel te benauwen. Revanche voor Evaas gevalletjen, baas!’ Weg vloog de zwarte, bij 't roepen: ‘Helaas! Den duivel te slim zijn de vrouwen!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vrolijkheid · Prudens Duyse · Poetry Cove