Skip to content
1840

Vaderlandsche poëzy. Deel 3

Prudens Duyse

III.

Het schoonste doelwit is bevochten: De vreêolijf bot weeldrig uit, En vruchtlooswrokkende gedrochten Zijn in hun woesten ruk gestuit.

Bellona ligt aen band: de Zanger Schetst ons het spook, van gruwlen zwanger, In 't somber hol door Neêrlands Maegd Bestreden, worstlend, overwonnen, En, vloekend op de welvaertzonnen, Voor 't vrye menschdom opgedaegd.

Antonides, wat doffe toonen Ontvluchten uw geprangde borst? Zie, welvaertroozen 't land bekroonen: Geen bloed, dat meer het veld bemorst; Geen bloed bepurpert meer de wateren: 't Kanon vergeet zijn heilloos klateren, En gy, gy treurt met teeder hart? Helaes, gy tradt een grafsteê nader: 't Is die van Vondel, u ten vader; Onsterflijk, ja; maer slechts als bard.

Een andre zon zinkt in de baren, Met goud door haer lang overstrooid. Wat buskruidwolk haer toe mocht varen, Heur glinstrend aenschijn taende nooit. Die zeereus, ideael van grootheid, De Ruiter, dreigt der Britten snoodheid Te pletteren, zelfs in zijn val. De Ruiter, als Achil getroffen, Stort, maer met alverdelgend ploffen, Gelijk de bombe in haren knal.

Gy zingt den grooten man, uit lagen stand gesproten, En (als de blixem uit de nacht) Op vyandlyken trots losbarstend afgeschoten Met onweêrstaenbre heldenmacht; Gy zingt hem naer zijn haerd gekomen, Maer, ach! begraven in zijn waterzegeprael; En deedt de tranen zachter stroomen: O Bard, zoo veel vermocht uw vaderlandsche tael!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vaderlandsche poëzy. Deel 3 · Prudens Duyse · Poetry Cove