Skip to content
1840

Vaderlandsche poëzy. Deel 3

Prudens Duyse

II.

Eens was deez' dag een feest voor Neêrland: opgetogen Begroette zy deez' zon, met welkomschietende oogen; En als de duisternis op onzen vryen grond Kwam dalen, deed zy 't feestlicht gloren, Dat ons den dag herschonk, tot aller vreugd geboren, Na dat de nacht zijn heuchbren loop verslond.

Eens zwaeiden op deez' dag 's lands onverwonnen wimpelen, Wat voorhoofd eens tyrans die bleek mocht tegenrimpelen, Op ieder juichend torenspits,

En 't klinglend klokkenspel doordaverde de wolken, En riep van daer, als hooger stem, den Vryen volken: Knielt' Waterloo verjaert: de aerd brak heur hechtenis!

Eens deed de vlaemsche bard zijn zegezangen klateren; Eens deed het priestrenchoor (een psalmende englenkrans) In 't plechtige gewaed, by outerfakkelglans, En orgeltoongedreun, het grootsch Te Deum schateren; Heel 's aerdrijks wierookwalm klom op ten hemeltrans; En thands? Een stilte als van het graf op deez' doorluchte kusten, Waer 't windtjen op 't gegolf der halmen gaet ten dans; Waer onze redders rusten!

Een sombre stilte, als toen het onverzacd kanon, Den gantschen dage losgebroken, Zweeg tot het volgend licht, en 't bloed omhoog bleef rooken, By de angstig-weggevloden zon!

Zijn dan uw broeders slechts gevallen, O Belgen, kindren ééner vrouw, Opdat hun heilge naem, na 't reddend schotenknallen, Eene enkle stond in 't oor u schallen, En hun vermolmd gebeent dit veld bevruchten zou? 't Vermolmd gebeente, dat in de aerde nauw gedolven Doorsneden wordt van d'akkerploeg! Moest daerom 't jammer wees en weduw overgolven? Een worp verachtlyke asch was tot dien bloei genoeg!

Wat hart vergeet er ooit de moeder, Die, in de schaduwen der dood hem 't leven gaf? Wat hart vergeet er ooit den broeder, Die hem den muil van 't graf, als goddelijk behoeder, Ontscheurde, en blyde stortte in 't graf?

Hoe velen zouden nog van u, o Belgen, ademen, Had niet het Schoon verbond Gods donder op der aerd Ontstoken tegen hem, die haer wou overvademen Met zijn bloedzuchten klauw, als demon rondgewaerd? Had hy u niet vooraf gewijd aen 't oorlogszwaerd? Hadt ge in den noordschen sneeuw niet weder moeten sneuvelen En hem nog roemen dan als groot? 't Heldhaftige gebeent is bier getast tot heuvelen: Geredden, zinkt er nêr, de dankbre kruine bloot!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vaderlandsche poëzy. Deel 3 · Prudens Duyse · Poetry Cove