Skip to content
1840

Vaderlandsche poëzy. Deel 3

Prudens Duyse

III.

Gy schittert niet in 't goud: zelfs bukt gy onder zorgen; Maer als gy zingt, ontsnelt ge 't stof. De nachtegael, in 't woud verborgen, Zingt voor het luistrend starrenhof.

De liefde van de roos en filomeel, geboren In 't Oostersch brein, zoo warm als d'Oosterzonnestrael, Is ons geen fabel meer, Vriendin der Dichterchooren: De maegd is 't roosjen; 't lied der ziel, de nachtegael.

Besproeit gy 't stervend wicht met moedertraen; ontwaken Uw jubelingen, als 't weêr huppelt op uw schoot, Weêr op uw boezem rust, wiens laefbron 't tegenvloot, En gy 't herkust met straks verschoten lippenrood, Gy mocht het schoonste loon der teedre moeder smaken: Een lachjen van haer kind, en van haer echtgenoot!

Ik zie uw zegepalm uit Hofmans asch gesproten, Voor de eeuwen staen; 's Mans blyde schimme lacht dien aen. Gy hebt het schoonste loon der Dichteres genoten: Wellustig vloeide een dankbre traen!

Is u niet Egmonts beeld (terwijl er om hem benen Een lichtstroom golfde, en gy de Godsharp hooren mocht) In dichterdroom verschenen, Als gy een bloemenkroon, neen, lauwerblaên! hem vlocht? Gy doet ons knielen, juichen, weenen, En zeegnen Neêrlands held, en vloeken 't spaensch gedrocht.

In Moens hebt gy een vrouw, een Kunstvriendin gehuldigd, Wier zieloog 't ongeschapen licht Doorstraelt: en ik blijf u die hulde niet verschuldigd; U is mijn ziel; u, mijn gedicht.

Benijd geen ydle prachtvertooning! Uw brein klaerde in den glans van d'eeuwgen redestrael. God schonk uw hart een gade; een kindtjen, uwer woning, En uwer ziel een lier. Een lier - wat deugdbelooning! Een lier - wat schat, trat zegeprael! Als Adam roept de Belg: ‘een Godheid schiep die tael.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vaderlandsche poëzy. Deel 3 · Prudens Duyse · Poetry Cove