Antonides.
Bilderdijk heeft in zyne Avondschemering dezen stouten Dichter beoordeeld, dien hy hoog genoeg achtte om er aenteekeningen op te schryven. Zie hier, hoe by hem vonniste:
De Dichter, op wiens stoute en forse reuzenschreden
Mijn starend oog zich hechtte, in d'opgang van Parnas:
Wien ik my kracht gevoelde, om op het spoor te treden,
Doch wien mijn hart te groot tot mededinger was.
Wiens geest ik altijd eere en in zijn vlucht bewonder,
Ja, licht onwetend volge als hy zijn toon verheft;
Maar minder windgebrom, by 't rollen van zijn donder,
En meer verplettrends wensch, wanneer zijn bliksem treft.