II.
In 't hart is Albion getroffen:
't Ziet, sidderend voor Ruiters vuist,
Den trots van staf en drietand ploffen -
Haer schedel in het stof vergruisd.
Die andre Michaël tart dapper,
Hoe breed des vyands zeevlag wapper',
De britsche wolven, scherp van tand;
En (als toen de Engel d'afgrond boeide,
Die, op zijn naven schuddend, loeide)
Schiet de Admirael den Teems in brand.
Het roofziek drakennest, in lichterlaeie vonken
Gestoken door Van Nes, beeft, en bezwijkt, verzonken
Voor Hollands eerevaen, die heilge rechten wreekt:
De maen van Mecca duikt, voor Neêrlands zon verbleekt.
En, Karel en Louis zien hun vereende vloten
Op een ontzachbre rots, op Tromp, te barsten stooten;
En, door Antonides geplukt, tot 's lands sieraed,
Heft zich dier braven palm, die onverganklijk staet.