Skip to content
1840

Vaderlandsche poëzy. Deel 3

Prudens Duyse

IV.

Had, neêrgedaeld van de oppertransen, Een vliegend broeder u gemeld, Dat, ras verdoofd in 't schoonste glansen, Uw levenslamp ten grave helt? Nog in den prilsten bloei der jaren, Verhaest ge u om de teelt te baren, Die onzen dichtschat eeuwig tooit. Gy werdt onze eerste landstroomdichter, Het Y ten eertrofeën-stichter. Gy schiept: uw eerenaem sterft nooit.

Hoe groot een bard, die tafereelen, Getuigen zyner vuerge ziel, Met Rubens breede kunstpenceelen Kon malen, en zoo jeugdig viel! Vest de oogen op die eedle bladeren, Ge ontdekt er 't stout vernuft der vaderen,

De kunst van Neêrlands letterstam: Alom houdt zy u vastgeklonken; Alom speelt met verheven vonken De dichterlijkste scheppingsvlam.

Hier zijn de stroomgoôn bly vergaderd, Aen Thetis weidschen bruiloftdisch. De ontzachbre vorst van d'Ystroom nadert, Omkranst met blad en wier en lisch. Hem durft de Seine bits verachten: Verschriklijk rijst hy in zijn krachten, En 't tweedrachtsvuer dreigt uit te slaen. De zeegod wenkte: zy bedaren, Gelijk in 't zwerk gestoven baren, Die zijn geducht bevel verstaen.

Ginds koomt een nare schim, ter grafstede uitgebroken, Met bloedige ongeltoorts, voor onze vaerders spooken, En dondert Flips zijn vloeken toe. 't Is de onverzoenbre vorst der Mexikaensche kusten. Nu daelt hy weder, bly te moê, In 't graf, om vrediger te rusten. Hy hoorde Spanjes straf door Hollands geesselroê!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vaderlandsche poëzy. Deel 3 · Prudens Duyse · Poetry Cove