Skip to content
1840

Vaderlandsche poëzy. Deel 3

Prudens Duyse

I.

Des Agrippyners zon ging onder, In haren ondergang nog schoon. Een nieuw verbazend gloriewonder, Besteeg den ydlen wolkenthroon. Min fier klimt de avondstar ten hoogen, Die, heilig in des minnaers oogen, De zachtvergrauwde transen tooit. Antonides deed in zijn stralen Den Dichterhemel heerlijk pralen, Waer om geen nachtkrip werd geplooid.

Van waer die hooge vlucht, in 't spoor der adelaren, Die 't starend oog ontrent, en lacht met aerdschen band? Van waer dit godlijk vuer, gestort in jeugdige aêren? Van liefde voor het vaderland.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Vaderlandsche poëzy. Deel 3 · Prudens Duyse · Poetry Cove