II.
Hoe wonderlik ontsloot en sloot des Heeren vinger Eens dat gezicht!.... Het heeft begoocheld of verkwikt, Gespot met elken dwinger, Of door zijn torenstrael de deugd een poos verschrikt... Doch mooglik lonkten uit dien oogen Lust, en verleiding, en verderf. De scepter week voor hun vermogen, En toch die schitterende logen Zweeg, dood bij 't onverbidlik: ‘Sterf!’
Wie raedt een vroegren stand, als 't graf ons houdt gekluisterd? Uwe aerdsche kroon, de kroon der menscheid, viel. Ontluisterd Is elke peerel, die daerin te prijken stond. Uwe echte of valsche glans en gloed bezweek, verduisterd In d'opgespleten moedergrond.
Scheelt hier de laegste slaef van grooten Alexander? Verscheiden was hun lot, maer hunne ziel was éen. Geen enkel brein gelijkt elkander, 't Zich zelf bewuste hart is elken mensch gemeen.
Uw aenblik koestert, of doet beven: Verkwikking bij een graf, verschrikking bij een schat. Wat lessen kunt ge, o doodshoofd, geven, Als godlik kommentaer op 't Evangelieblad!
Hoe meenge Magdaleen verstond, bij 't handenvouwen, De stem, u door den dood voor 't harte niet ontroofd, En hief zich uit heur val, gezuiverd door 't berouwen, Dat in een traen Gods bliksem dooft!
Gij, dien nog 's Heeren hand bewaerde, Tot ge ook in stof vergaet, in naemloos stof, in niet, Gij zijt de meester, ja, wien of ge ook siddring baerde, Die hooger weereld mij verklaerde, Als ik, van op een graf, den hemel tegenschiet'.
Cookies on Poetry Cove