III.
Zij paerde in 't bidden hem de handekens te samen,
Als 't daglicht hem ten spel, de star ten bedjen riep.
Zij sloot zijn Vader-ons volplechtig met heur: Amen!
Dat om den twijfel bij den grijze ook te beschamen,
Hem ruischte in 't hart, wanneer zijn jongst gebed ontsliep.
Hij was haer moedermin vergeten, -
Zijn vroegre liefde als kind, als knaep, als jongeling,
En al 't heimzinnige dier goddelike keten,
Die aerde en hemel snoert, en mensch en geestenkring.
Ellendige, die in de kussen zijner moeder,
Noch in heur tranen heeft geloofd,
Noch in de liefdeleer van Jesus, aller broeder,
Noch in den Eeuwige, den schepper en behoeder!...
Weg, monster, of krankzinnig hoofd!
Al zonkt ge ook peilloos diep, waerom niet aen de voeten
Des Vaders neêrgestort, die lijders welkom hiet?
Voor ieder misdrijf kan men boeten,
Maer dat alleen herstelt men niet.